The Project Gutenberg EBook of De Koopman van Veneti, by William Shakespeare

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.org


Title: De Koopman van Veneti
       Drama in vijf bedrijven

Author: William Shakespeare

Translator: Edward B. Koster

Release Date: July 9, 2009 [EBook #29359]

Language: Dutch

Character set encoding: ISO-8859-1

*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE KOOPMAN VAN VENETI ***




Produced by Miranda van de Heijning, Jeroen van Luin and
the Online Distributed Proofreading Team at
http://www.pgdp.net





                             WILLIAM SHAKESPEARE

                                 DE KOOPMAN
                                 VAN VENETI

                           DRAMA IN VIJF BEDRIJVEN

                                VERTALING VAN
                            DR. EDWARD B. KOSTER

                                 DERDE DRUK

                                [Illustratie]

                              WERELDBIBLIOTHEEK
                        ONDER LEIDING VAN L. SIMONS.

           [Illustratie: BOEKEN ZIJN DE UNIVERSITEIT ONZER DAGEN]

                              UITGEGEVEN DOOR:
                        DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN
                        GOEDKOOPE LECTUUR - AMSTERDAM


     ...bersetzen... ist kein freies Dichten ([Grieks: poiein]); das
     durften wir nicht, gesetzt wir konnten es. Aber der Geist des
     Dichters muss ber uns kommen und mit unsern Worten reden. Die
     neuen Verse sollen auf ihre Leser dieselbe Wirkung thun, wie die
     alten zu ihrer Zeit auf ihr Volk und heute noch auf die, welche
     sich die notige Mhe philologischer Arbeit gegeben haben. So hoch
     geht die Forderung. Wir wissen wohl, wie wenig wir sie erfullen,
     aber auf Erden wird berhaupt das Mgliche nur geleistet, wenn das
     Unmgliche gefordert wird, und man muss das Ziel kennen, damit man
     den Weg findet.
                                     ULRICH VON WILAMOWITZ-MOELLENDORFF


De eerste druk van deze vertaling is verschenen in 1903 bij den uitgever
Johan Pieterse te Rotterdam.

De tweede, goedkoope, druk, door den Vertaler zorgvuldig herzien, is
verschenen in het midden van 1913.

Deze derde druk, in abonnement W.B. is verschenen Juli 1916.




PERSONEN


     DE DOGE VAN VENETI.

     DE PRINS VAN MAROKKO, } _Dingend naar een huwelijk
                           } met Portia._
     DE PRINS VAN ARRAGON, }

     ANTONIO, _de Koopman van Veneti._

     BASSANIO, _zijn Bloedverwant en Vriend._

     SOLANIO,  }
               }
     SALARINO, } _Vrienden van Antonio en Bassanio._
               }
     GRATIANO, }

     LORENZO, _Verliefd op Jessica._

     SHYLOCK, _een Jood._

     TUBAL, _een Jood, zijn Vriend._

     LANCELOT GOBBO, _Bediende van Shylock, later van Bassanio._

     DE OUDE GOBBO, _Vader van Lancelot._

     LEONARDO, _Bediende van Bassanio._

     BALTHAZAR, }
                } _Bedienden van Portia._
     STEPHANO,  }

     PORTIA, _Een rijke Erfgename._

     NERISSA, _haar Kamenier._

     JESSICA, _Dochter van Shylock._

     _Senatoren van Veneti, Beambten van het Gerechtshof, een
     Cipier, Bedienden en ander Gevolg._

Het stuk speelt gedeeltelijk te _Veneti_ en gedeeltelijk op _Belmont_,
PORTIA'S landgoed.




EERSTE BEDRIJF

TOONEEL I.

_Veneti. Een Straat._


ANTONIO, SALARINO _en_ SOLANIO _komen op._

ANTONIO:
     'k Weet waarlijk niet waarom 'k zoo somber ben,
     Ik vind het lastig, en dat vindt gij k;
     Maar hoe ik 't opdeed, er aan kwam, of 't kreeg,
     Waarvan 't gemaakt is, waaruit het ontstond,
     Dat weet ik niet;
     En tot z'n domoor maakt dat somb're mij,
     Dat met den besten wil 'k mijzelf niet ken.

SALARINO:
     Uw zinnen zwalken op den oceaan,
     Waar uw galjoenen met hun statig zeil,
     Signors en rijke burgers van den vloed,
     Of, als het ware, pronksieran der zee,
     Zien boven 't hoofd der kleine schepen uit,
     Die voor hen buigen, en hun hulde doen,
     Voorbij hen vliegend op geweven wiek.

SOLANIO:
     Had ik zoo'n risico op zee, Mijnheer,
     Voorwaar het grootste deel van mijn gemoed
     Zou bij mijn verre hoop zijn. 'k Plukte steeds
     Grasjes om 't waaien van den wind te zien,
     Op kaarten tuurde ik om te weten waar
     Er havens, kaden, reeden konden zijn,
     En ieder voorwerp dat mij vreezen deed
     Voor wat op zee ik waagde, 't zou gewis
     Mij somber maken.

SALARINO:
     Als 'k mijn soep koud blies,
     Dan gaf mijn adem mij de koorts, wen 'k dacht
     Welk kwaad te harde wind op zee kon doen.
     Ik zag het zand niet door het uurglas gaan,
     Of 'k dacht aan banken en aan ondiepten,
     En 'k zag mijn rijke "Andries," met dek in 't zand,
     De mastpunt lager buigend dan het boord,
     Haar grafplaats kussen. Ging ik naar de kerk,
     En zag ik 't heilige gebouw van steen,
     Dacht 'k aanstonds niet aan rotsen vol gevaar,
     Die slechts de zijde rakend van het schip,
     Zijn specerij zou strooien op den stroom,
     Het brullend nat bekleeden met mijn zij,
     En, in n woord, zooeven z veel waard,
     Nu niets meer waard? Komt de gedachte in me op
     Hieraan te denken, denk ik dan ook niet
     Dat zulk een ramp mij somber maken zou?
     Zeg mij maar niets; 'k weet het, Antonio
     Is somber, denkend aan zijn handelswaar.

ANTONIO:
     Neen, zeker niet. 'k Dank mijn geluk er voor
     Dat mijn fortuin niet op n bodem rust,
     Noch op n plaats; noch hangt mijn gansch bezit
     Van 't slagen af in 't tegenwoordig jaar;
     Mijn handelswaar maakt mij dus niet bedrukt.

SALARINO:
     Welnu, dan zijt ge vast verliefd.

ANTONIO:
     Foei, foei!

SALARINO:
     Ok niet? Komaan, dn zult ge somber zijn,
     Wijl gij niet vroolijk zijt; 't ging even goed
     Te lachen en te dansen en te zeggen
     "'k Ben vroolijk," omdat gij niet somber zijt.
     Bij den tweehoofd'gen Janus,[1] de natuur
     Heeft vreemde kwanten nu en dan gevormd:
     De een tuurt voortdurend door zijn wimpers heen,
     Lacht, als een papegaai, bij 'n doedelzak,
     En de ander heeft zoo'n zuur azijngezicht,
     Dat hij zijn tanden nooit ten glimlach toont,
     Schoon Nestor[2] zwoere op de aardigheid der grap.

BASSANIO, LORENZO _en_ GRATIANO _komen op._

OLANIO:
     Daar komt Bassanio, uw eed'le neef,
     Gratiano, en Lorenzo. Vaart gij wel:
     Veel beter is 't gezelschap dat u zoekt.

SALARINO:
     'k Wou blijven tot ik u wat blijder zag,
     Maar waard'ger vrienden zijn mij vr geweest.

ANTONIO:
     Uw waarde wordt zeer hoog door mij geschat,
     'k Vermoed, uw eigen zaken roepen u,
     Gij neemt de kans dus waar on heen te gaan.

SALARINO:
     Ik groet u, waarde Heeren.

BASSANIO:
     Wel Signors, wanneer lachen wij weer eens?
     Gij wordt ons bijster vreemd; moet dat zoo zijn?

SALARINO:
     Gij moogt beschikken over onzen tijd.

SALARINO _en_ SOLANIO _af._

LORENZO:
     Mijnheer Bassanio, nu ge Antonio vondt,
     Verlaten wij u, maar onthoud toch goed
     Waar wij bij 't maal elkar weer zullen zien.

BASSANIO:
     'k Zal stellig bij u zijn.

GRATIANO:
     Gij ziet er niet goed uit, Antonio,
     Gij zijt te veel bezorgd om 's werelds goed:
     Wie 't met veel zorgen koopt, verliest het weer,
     'k Verbaas me, zooals gij veranderd zijt.

ANTONIO:
     'k Beschouw de wereld slechts zooals zij is;
     Als een tooneel, waar elk zijn rol op speelt,
     De mijne is droef.

GRATIANO:
     Geef mij dan die van nar.
     Laat de oude rimpels komen met gelach
     En scherts, en gloei' mijn lever eer van wijn,
     Dan dat mijn hart door kommerlijk gekreun
     Bekoele. Waarom zou een man, wiens bloed
     Warm in hem is, daar zitten als zijn grootvar
     Gehouwen in albast?[3] en als hij waakt
     Gaan slapen? of de geelzucht op zijn lijf
     Door kniezen halen? Hoor nu eens, Antonio,--
     Ik ben uw vriend, en vriendschap leidt mijn taal;--
     Daar is een soort van menschen, wier gelaat
     Gelijk een stille vijver is bedekt,
     En die halsstarrig zwijgen, met het doel
     Om zich een dunk te geven van te zijn
     Vol wijsheid, ernst en diepe peinzerij;
     Alsof zij zeggen: "'k Ben Mijnheer Orakel,
     Geen hond mag blaffen, als ik spreken ga."
     O, mijn Antonio, ik ken ze wel,
     Die slechts voor wijs gehouden worden, wijl
     Zij nooit iets zeggen, en wier taal gewis
     De ooren bijna verdoemen zou, die 't hoorend,
     Tot hunne broeders zeggen zouden: "Dwaas!"[4]
     'k Vertel u op een and'ren tijd nog meer:
     Maar visch niet met dit aas, melancholie,
     Naardezenmallen spiering,dezen dunk,[5]--
     KomnuLorenzo.--Vaarintusschenwel;
     Na'tetenkrijgtge'tslotvanmijnvermaan.

LORENZO:
     Nu,wij verlatenutotetenstijd.
     'kMoeteenvandiestom-wijzemenschenzijn,
     WantGratianolaatmijnooitaan'twoord.

GRATIANO:
     Nu,ganogslechtstweejarenmetmijom,
     Dankentgeuweigenstemgeluidnietmeer.

ANTONIO:
     Vaarwel:'kwordookeenpraterals 'kuhoor.

GRATIANO:
     Mijndank: opzwijgenwordtdanookalleengehoopt
     Bijossetongen'tmeisjedatzichnietverkoopt.

GRATIANO_en_ LORENZO_af._

ANTONIO:
     Heeftdatnuietstebeteekenen?

BASSANIO:
    Gratianospreekteenontzaglijkehoop_niets_, meer daniemandin
   heelVeneti.Zijnverstandigewoordenzijn alstweekorrelstarwe
   verborgenintweeschepelskaf;gemoet denganschendagzoekeneer
   gezevindt;enalsgezehebt, zijnze'tzoekennietwaard
    geweest.

ANTONIO:
     Kom;zegmenu,wieisdiejonkvrouwtoch,
     Naarwiegestileenbedevaartwoudtdoen,
     Vanwiegemijvandaagvertellenzoudt?

BASSANIO:
     'tIsunietonbekend,Antonio,
     Hoezeerikmijnvermogenhebverkleind,
     Door'tietwathoudenvaneenhoog'renstaat
     Dan'kdoormijnbeetjegeldkonblijvendoen.
     Nuklaagiknietdatikmijmaat'genmoet
     Inzulkeenweelde;maarmijngrootstezorg
     Ishoeikeervolafkomvandeschuld
     Waarinmijnalteruimelevenswijs
     Mijheeftverstrikt.Ikhebhetmeestaanu,
     Antonio,ingeldenvriendschapschuld;
     Uwvriendschapismeerookeenwaarborgvoor,
     Dat'kalmijnplannenuontboez'men kan
     Hoevanmijngrooteschuldenmijteontdoen.

ANTONIO:
     Bassanio,ikbidu,zeghetmij;
     Envalthetlichtdereererop,zooals
     OpUnog,weesverzekerddatmijnbeurs
     Enmijnpersoon enalwatikvermag
     Vooruwegoedezaakbeschikbaarzijn.

BASSANIO:
     Wanneer'kalsknaapeenpijlverlorenhad,
     Schootikeenand'renvandezelfdekracht
     Denzelfdenkant,ennamhemscherperwaar,
     Endoordetweetewagen,vondikvaak
     Henbe,nietnslechts.'kNoemdiejongensproef,
     Omdatwatvolgtoprechtenzuiveris.
     'kBenu veelschuldig;watikschuldigben
     Iswegzooals'teenheethoofdgaat;maarals
     Geeentweeden pijlwiltschietennaardenkant
     Waarheenged'eerstenschoot,iktwijfelniet,
     Of'kvind--daar'kophetdoelzalletten--be;
     Maarandersbreng'kuwlaatsteninzetweer,
     Enblijfvoord'eerste'uwdankb'reschuldenaar.

ANTONIO:
     Gijkentmijgoed,engijverkwistslechtstijd,
     Alsgeommijnvriedschapmetveelomhaaldraait;
     Gedoetmijnugewismeeronrechtaan
     Doordatgetwijfeltaanmijnbestehulp,
     Danalsgijalmijngoedhadtopgemaakt.
     Zegmijdaaromgerustwatikmoetdoen,
     Wat,voorzoovergijweet,'kzou_kunnen_ doen,
     En'kbenertoebereid;spreekdusvrijuit.

BASSANIO:
     OpBelmontwoonteenjonkvrouw,zeisalleen,
     Enzijisschoon,en,watnogschoonerklinkt,
     Vanwonderbaredeugden.Eertijdsgaf
     Haaroogmijteek'nen,liefensprakeloos.
     HaarnaamisPortia,nietsminderwaard
     DanCato'sdochter,Brutus'Portia.
     Dewijdewereldkenthaarwaardewel,
     Dewindenblazentochvanelkekust
     Doorluchteminnaars;enhaarzonnighaar
     Hangtomhaarslapenalseengoudenvlies,
     WathuizeBelmontmaakttotKolchos'strand,
     EnveleJasonszoekenhaartotvrouw.[6]
     OmijnAntonio!hadikmidd'lenslechts
     Ommijmethentemeteninwaardij!--
     Daarikeenvoorgevoelhebvangeluk,
     Endatikzekervoorspoedhebbenzou.

ANTONIO:
     Gijweet,mijnganschvermogenisopzee;
     Ikhebgeengeld,engeengelegenheid
     Omthanseensomteheffen:gadusheen;
     Zieindestad[7]watmijnkredietvermag:
     Gijmoogthetrekkentotdeverstegrens,
     AlshetubrengtnaarBelmontsPortia.
     Ga,onderzoekterstond--ikdoedatook--
     Waargeldis,enhetkomt--iktwijfelniet--
     Ommijnentwilofookommijnkrediet.      (_Beidenaf._)




TOONEEL II.

_Belmont. Een vertrek in_ PORTIA'S _Huis._


PORTIA _en_ NERISSA _komen op._

PORTIA:
     Heusch, Nerissa, mijn klein persoontje is deze groote wereld moe.

NERISSA:
     Dat zoudt u zijn, lieve mevrouw, als uw ellenden even overvloedig
     waren als uw goed geluk; en toch, voor zoover ik zien kan, zijn zij
     die zich met te veel volproppen even ziek als zij die van niets
     hongerlijden: daarom is het geen gering geluk den middenweg te
     bewandelen; overmaat komt spoediger aan witte haren, maar genoeg
     hebben leeft langer.

PORTIA:
     Mooie stelregels, en goed gezegd ook.

NERISSA:
     Ze zouden beter zijn, als ze goed werden opgevolgd.

PORTIA:
     Als het doen even gemakkelijk was als te weten wat goed is om te
     doen, dan moesten kapellen nu kerken zijn, en armelui's hutjes
     koningspaleizen. _Hij_ is een goed preeker die zijn eigen
     voorschriften nakomt: ik kan gemakkelijker twintig leeren wat goed
     is om te doen dan n van de twintig zijn om mijn eigen lessen na
     te komen. De hersenen kunnen wel wetten uitdenken voor het bloed;
     maar een vurige natuur springt over een koel gebod: z'n haas is
     de jongeling heethoofdigheid, dat hij hipt over het mazennet van
     goeden raad, den kreupele. Maar dit redeneeren is nu niet precies
     de weg om een man te kiezen:--O wee, dat woord _kiezen_! Ik mag
     niet kiezen wien ik wil en evenmin weigeren wien ik niet kan
     uitstaan; zoo wordt de wil van een levende dochter bedwongen door
     de wilsbeschikking van een dooden vader.--Is het niet hard,
     Nerissa, dat ik er niet n kan kiezen en evenmin geen kan afslaan?

NERISSA:
     Uw vader is altijd een braaf man geweest; en vrome menschen hebben
     bij hun dood goede ingevingen; daarom zal in de loterij die hij met
     die drie kistjes van goud, zilver en lood bedacht heeft, (en hij
     die daaruit naar _zijn_ zin kiest, kiest u,) zonder twijfel door
     niemand goed gekozen worden dan door hem die u goed liefheeft. Maar
     welke warmte voelt uw gemoed jegens den een of ander van de
     vorstelijke pretendenten die reeds gekomen zijn?

PORTIA:
     Noem ze asjeblieft nog eens op; en naar je ze opnoemt zal ik ze
     beschrijven; en volgens mijn beschrijving laten raden naar de
     stemming van mijn gemoed.

NERISSA:
     Vooreerst dan hebben wij den Napolitaanschen prins.

PORTIA:
     Nu, dat is een echt veulen, 'n echt jong spring-in't-veldje, want
     hij doet niets dan over zijn paard praten; en hij beschouwt het als
     een grooten bijslag voor zijn bizondere talenten dat hij het zelf
     kan beslaan: ik ben erg bang dat zijn moeder het met een smid heeft
     gehouden.

NERISSA:
     Dan hebben we den Paltsgraaf.

PORTIA:
     Hij doet niets dan boos kijken, alsof hij zeggen wou: "Als je mij
     niet wilt hebben, kies dan maar een ander;" hij hoort vroolijke
     verhalen aan, en glimlacht niet eens,--ik vrees dat hij de weenende
     wijsgeer zal worden als hij oud wordt, nu hij in zijn jeugd al zoo
     onbehoorlijk somber is. Ik zou liever trouwen met een doodshoofd
     met een bot in zijn mond dan met een van die twee. God beware me
     voor die twee!

NERISSA:
     Maar wat zegt u van den Franschen heer, Monsieur le Bon?

PORTIA:
     God heeft hem geschapen, en laat hem daarom voor een man doorgaan.
     Heusch, ik weet wel dat het zondig is te spotten.[8] Maar _hij_ dan
     ook! Wel, hij heeft een paard dat beter is dan dat van den
     Napolitaan, nog mooiere onhebbelijkheid on boos te kijken dan de
     Paltsgraaf: hij is iedereen in niemand; als een lijster aan 't
     fluiten slaat, begint hij dadelijk rond te springen; hij schermt
     met zijn eigen schaduw: als ik hem trouwde zou ik twintig mannen
     trouwen: als hij mij verachtte zou ik 't hem vergeven; want als hij
     dol verliefd op me was, zou ik het hem nooit vergelden.

NERISSA:
     Weet u misschien iets te zeggen tegen Faulconbridge, den jongen
     Engelschen baron?

PORTIA:
     Ikweetnietstegenhemtezeggen,wanthij verstaat meniet,
    evenminalsikhem;hijkentgeenLatijn,geenFransch engeen
    Italiaansch,enjekuntergerustvoorhetgerecht opzweren,dat
    ikmaareenarmzaligbeetjevanhetEngelsch afweet.Hijisanders
    eenknapstelvaneenman;maarhelaas! wiekanomgaanmeteen
    figurant?Enwatishijvreemd gekleed!Ikgeloofdathijzijn
    wambuisinItali,zijnpofbroek inFrankrijk,zijnmutsin
    Duitschland,enzijnmanieren overalgekochtheeft.

NERISSA:
     Watdenktuvanzijnnaastenbuurman,denSchotschen lord?

PORTIA:
     Dathijliefdetotzijnnaastebezit;wanthijleende eenoorvijg
    vandenEngelschman,enzwoerdathijhemterug zoubetalen,als
    hijkon:ikgeloofdatdeFranschmanhem borgbleef,enerzijn
    zegelonderzette[9]dathijereenbij zoudoen.

NERISSA:
     HoevindtudenjongenDuitscher,denneefvan denhertogvan
     Saksen?

PORTIA:
     Zeerverachtelijkindenmorgen,alshijnuchteris; en
     allerverachtelijkstindenmiddag,alshijdronkenis;als hijzich
    opzijnbestvertoont,danishijeenbeetjeminder daneenmensch;
    enalshijopzijnslechtstis,danishijweinig beterdaneen
     beest.Mochthetergstegebeurenwatooitgebeuren _kon_, danhoop
    ikdathetmezalgelukkenhetzonderhem testellen.

NERISSA:
     Alshijbesloottekiezen,enhijkooshetgoedekistje, danzoudt
    uweigerenuwvaderswenschtevervullen,alsu weigerdehemaante
    nemen.

PORTIA:
     Zetdaarom,watikjebiddenmag,uitvreesvoorhet ergste,eenvol
    glasRijnwijnophetverkeerdekistje,want alisdeduiveler
     binnenin,maardieverleidingerbovenop, danweetikdathijze
    kiezenzal.Ikzallieverikweetnietwt doen,Nerissa,danmet
    eensponstrouwen.

NERISSA:
     Ubehoeftnietbangtezijn,Mevrouw,datueen vandezeheerentot
    manzultkrijgen:zijhebbenmijhun besluitmeegedeeld,namelijkom
    naarhuisterugtekeeren, enunietmetverdereaanzoekenlastigte
    vallen,ofgemoest uopeenanderemanierlatenwinnendandooruw
    vaders bepalingbetreffendedekistjes.

PORTIA:
     AlwordikzoooudalsdeSibylle[10],tochzalikzoo maagdelijk
    alsDianasterven,alsiknietverkregenword opdemanierdiedoor
    hettestamentvanmijnvaderisaangewezen. Ikbenblijdatdit
    partijtjeaanzoekerszooredelijk is;wanterisernietnonder
    henofiksnaknaarnietszzeer alsnaarzijnafwezigheid,enik
    bidGoddathijhuneen goedereisgeeft.

NERISSA:
     Herinnertgeuniet,Mevrouw,uituwvaderstijd eenVenetiaan,een
    geletterdeenofficier,diehierkwamin gezelschapvandenMarkies
    vanMontferrat?

PORTIA:
     Ja,ja;hetwasBassanio;tenminsteikgeloofdat hijzooheette.

NERISSA:
     Zeker,Mevrouw,envanallemannendiemijn dwazeoogenooit
    aanschouwden,verdiende_hij_ hetmeesteen mooiejonkvrouw.

PORTIA:
     Ikherinnermijhembest,enookdathijuwlofverdiende.--

_Een_ BEDIENDE_komtop._

     Watnu?Iserwatnieuws?

BEDIENDE:
     Devier[11]vreemdelingenvragennaaru,Mevrouw, omafscheidvanu
    tenemen;eneriseenkoeriergekomen vaneenvijfden,denPrins
    vanMarokko,dieberichtdatzijn meester,dePrins,vanavondhier
    zalzijn.

PORTIA:
     Alsikdenvijfdenevenhartelijkwelkomkonheeten alsikde
    andere viervaarwelkanzeggen,danzouikmijverheugen overzijn
    aankomst:alshijhetinnerlijkheeftvaneen heiligeenhet
    uiterlijkvaneenduivel,danhadikhemliever totbid-dantot
    bedgenoot.--Kom,Nerissa.--Vrindschap, gavoor.--Terwijlwede
    poortachterdeneenenminnaar sluiten,kloptdeandereopdedeur.
    (_Allenaf._)




TOONEELIII.

_Veneti.Een Marktplein._


BASSANIO_en_ SHYLOCK_komenop._

SHYLOCK:
     Drieduizenddukaten,[12]--juist.

BASSANIO:
     Ja,Mijnheer,voordriemaanden.

SHYLOCK:
     Voordriemaanden,--juist.

BASSANIO:
     Waarvoor,zooalsikzei,Antonioborgzalblijven.

SHYLOCK:
     Antonioborgzalblijven,--juist.

BASSANIO:
     Kuntgemijhelpen?Wiltgemij'tgenoegendoen?
     Magikuwantwoordweten?

SHYLOCK:
     Drieduizenddukatenvoordriemaanden,enAntonio borg.

BASSANIO:
     Uwantwoordhierop.

SHYLOCK:
     Antonioisgoed.

BASSANIO:
     Hebtgehemooitvanhettegendeelhoorenbeschuldigen?

SHYLOCK:
     Heiwat!neen,neen,neen,neen;--mijnbedoeling mettezeggendat
    hijgoedis,isdatge'tzmoetopvatten, dathijergoedvoor
    is;maartochiszijnfortuinvrijdenkbeeldig. Hijheefteen
    galjoenbestemdvoorTripoli,ennog eenvoorIndi,verderhebik
    opdenRialto[13]gehoord,dat hijeenderdeinMexicoheeft,een
    vierdeopwegnaarEngeland, terwijlhijnoganderehandelsgoederen
    hierendaarverspreid heeft.Maarschepenzijnnietsdanplanken
    enzeeluiniets danmenschen:erzijnlandrattenenwaterratten,
    roovers zooweltewateralsteland,ikbedoelzeeroovers;endan
    iser hetgevaarvanwater,windenrotsen.Maartochisdeman er
    goedvoor;--drieduizenddukaten;--ikgeloofdatik zijnborgtocht
    welkanaannemen.

BASSANIO:
     Weeserzekervandatge'tkunt.

SHYLOCK:
     Ik_wil_ erzekervanzijndatikhetkan;enopdat ikerzekervan
    _kan_ zijn,zalikereensoverdenken.Zouik Antoniokunnen
    spreken?

BASSANIO:
     Ja,alsgemetonsgelieftteeten?

SHYLOCK:
     Welzeker,omvarkensvleeschteruiken!omte etenvandewoning
    waarinuwprofeet,deNazarener,den duivelbande![14]Ikwilmet
    ukoopen,metuverkoopen,met uspreken,metuwandelen,enzoo
    voorts;maarikwilniet metueten,nietmetudrinken,enevenmin
    metubidden.--Wat voornieuwsiseropdenRialto?--Wieisdatdie
    daar aankomt?

ANTONIO_komtop._

BASSANIO:
     DatissignorAntonio.

SHYLOCK(_terzijde_):
     Hoelijkthijopeenslaafschentollenaar!
     Ikhaathem,omdathijeenChristenis;
     Maarmeer,omdatinlageneenvoudhij
     Geldgratisuitleent,endenrentestand
     HierbijonsinVenetidalendoet.
     Alsikhemeenshetbeentjelichtenkan,
     Danmestikzoomijnoudeveetevet.
     Hijhaatonsheiligvolk;enhijgeeftaf,
     Juistdaarwaar'tmeestdehand'laarssamenzijn,
     Opmij,mijnzaakenwel-verdiendewinst,
     Haarwoekernoemend.Zijmijnstamvervloekt,
     Als'khemvergeef!

BASSANIO:
     Zeg,Shylock,luistertgij?

SHYLOCK:
     Ikschatwatikop'toogenblikbezit,
     Ennaar'tgeheugenvrijnauwkeuriggis,
     Brengikzoodadelijkdevollesom
     Vandrieduizenddukatennietbijeen
     Watzou't?Tubal,eenrijkevanmijnstam,
     Zalmijwelhelpen.Stil!Voorhoeveelmaand
     Verlangtgij't?--(_tot_ ANTONIO)Vredezijmetu,Mijnheer;
     Wijsprakennogdaarevenoveru.

ANTONIO:
     Shylock,schoon'knooitteleengeefofontvang,
     Ommeerterugtekrijgenoftegeven,
     Tochbreekikdiegewoontevoordennood,
     Diedringt,vaneenenvriend.--(_tot_ BASSANIO)Weethijnual
     Hoeveelgijwenscht?

SHYLOCK:
     Ja,drieduizenddukaten.

ANTONIO:
     Envoordriemaand.

SHYLOCK:
     'kVergathetnog;--driemaand;datzeidetgij.
     Goed,uwkontrakt;--laatzien.--Maarluistereens;
     Medunkt,gijzeidetdatgeopint'restnooit
     Aanofvaniemandleendet.

ANTONIO:
     'kDoehetnooit.

SHYLOCK:
     ToenJakobLabansschapengrazenliet,--
     Hijwasnaonzenheil'genAbraham
     (Zookreegzijnmoeder'tslimvoorhemgedaan)
     Dederdederbezitters;jadederde,--[15]

ANTONIO:
     Watmoetdatnu?Namhijookinterest?

SHYLOCK:
     Hijnamdienietinletterlijkenzin,
     Neennietrechtstreeks:letopwatJakobdeed.
     ToenLabanmethemafgesprokenhad,
     Dataldelammerengestreeptenbont
     AlsloonaanJakobzoudenkomen,zocht
     Het bronstige ooienvolkje in laten herfst
     De rammen op; en toen het telingswerk
     Door deze woll'ge fokkers werd verricht,
     Schilde de list'ge scheper twijgen af,
     En bij 't vervullen van de paringsdaad,
     Stak hij hen voor de tochtige ooien op,
     Die, toen ontvangend, in den lammertijd
     Gevlekte lamm'ren wierpen, Jakobs deel.[16]
     Hij werd gezegend op zijn weg tot winst,
     En winst is zegen, als men haar niet steelt.

ANTONIO:
     Zoo diende Jakob voor een kans van 't lot;
     Niet hij had dezen uitslag in zijn macht,
     Maar 't werd beschikt, bestuurd door 's Hemels hand.
     Prijst deze plaats der Schrift den woeker aan?
     Of is uw goud en zilver ooi en ram?

SHYLOCK:
     'k Weet niet: maar 't fokt bij me even spoedig aan.
     Maar luister, Signor.

ANTONIO:
     Merkt ge 't wel, Bassanio,
     De duivel haalt de Schrift aan voor zijn doel.[17]
     Een booze ziel, bij 't heilige getuigend,
     Gelijkt een schurk, den glimlach op 't gelaat,
     Een mooien appel met ontstoken hart.
     Wat zet de valschheid toch een mooi gelaat!

SHYLOCK:
     Drie duizend--en dukaten!--'t is een som!
     Drie maanden van de twaalf; hoeveel percent?

ANTONIO:
     Nu, Shylock, mogen wij u dankbaar zijn?

SHYLOCK:
     Signor Antonio, menig menig maal
     Hebt gij op den Rialto mij beschimpt
     Om 't woek'ren dat ik met mijn gelden deed:
     Steeds droeg 'k het lijdzaam, trok mijn schouders op,
     Want lijden is het kenmerk van ons ras:
     Gij noemt mij "ongeloov'ge," "moord'naarshond,"
     En spuwt op mijnen Joodschen tabbaard mij,
     En dat, wijl ik mijn eigen goed gebruik.
     Nu blijkt het dan dat gij mijn hulp behoeft,
     Vooruit maar; gij komt bij mij, en gij zegt,
     "Shylock, wij willen geld," en dat zegt gij,
     Gij die uw speeksel spuwdet op mijn baard,
     Mij traptet, als ge een vreemden hond verschopt
     Van uwen drempel: nu vraagt gij om geld.
     Wat moet ik u nu zeggen? Moet 't niet zijn:
     "Heeft een hond duiten? Is het moog'lijk dat
     Zoo'n mormel drie duizend dukaten leent?"
     Of zal 'k diep buigend, op een slaventoon
     Met ingehouden adem need'rig fluist'rend,
     Z spreken:
     "Mijnheer, verleden Woensdag spoogt ge op mij;
     Gij traptet me op een and'ren dag; dan weer
     Heette ik een hond; en voor die hof'lijkheid
     Leen ik u zooveel geld?"

ANTONIO:
     't Is mogelijk dat ik u weer zoo noem,
     En weder op u spuw en u vertrap.
     Zoo gij dit geld wilt leenen, leen dan niet
     Als aan uw vriend; wanneer nam vriendschap toch
     Winst van onvruchtbaar zilver van een vriend?[18]
     Maar leen het liever aan uw vijand uit;
     Want doet hij zijn belofte niet gestand,
     Dan kunt ge met te meer vrijmoedigheid
     De boete vergen.

SHYLOCK:
     Kijk nu hoe ge raast:
     Ik wensch uw vriendschap en genegenheid,
     Den smaad vergetend waar 'k me werd besmet,
     Ik wil u helpen in uw nood, geen duit
     Als int'rest nemen, en ge luistert niet.
     Dit is een vriend'lijk aanbod.

ANTONIO:
     Ja, dat is 't.

SHYLOCK:
     Welnu, 'k bewijs u deze vriend'lijkheid.
     Ga me naar een notaris, zegel daar
     Uw overeenkomst zonder meer,[19] en als
     Gij niet op een bepaalden dag en plaats
     De som of sommen in 't kontrakt genoemd
     Terugbetaalt, moet gij voor de aardigheid
     Een pond, daarme gelijkstaand, van uw vleesch
     Mij netjes laten snijden uit dt deel
     Van uw mooi lichaam waar het mij behaagt.

ANTONIO:
     Dat neem ik aan: ik zegel zoo'n kontrakt;
     'k Moet zeggen dat de Jood zeer vriend'lijk is.

BASSANIO:
     Dat moogt gij niet on mijnentwille doen:
     Veel liever blijf 'k in ongelegenheid.

ANTONIO:
     Kom, vrees niet, man; 'k verbeur de boete niet:
     Binnen twee maanden, dat 's een maand aleer
     't Kontrakt verloopt, verwacht ik driemaal meer
     Terug dan heel de waarde van 't kontrakt.

SHYLOCK:
     O, vader Abram! Zie die Christ'nen toch,
     Wier eigen hardheid and'rer denkwijs hen
     Wantrouwen leert! Ik bid u, zeg mij dit;
     Kwam hij 't kontrakt niet na, wat won 'k dan nog
     Door 't eischen van wat door hem werd verbeurd?
     Een pond van 't vleesch gesneden uit een mensch
     Heeft minder waarde, wordt ook min geschat
     Dan schapen-, rund-, of geitenvleesch. 'k Herzeg,
     Door deze groote vriendschap koop 'k zijn gunst;
     Wil hij haar hebben, goed; zoo niet, vaarwel;
     En krenkt mij niet voor al mijn vriend'lijkheid.

ANTONIO:
     Ja, Shylock, ik bezegel dit kontrakt.

SHYLOCK:
     Vind mij dan snel bij den notaris wer.
     Maak hem bekend met 't grappige kontrakt.
     Ik steek onmiddellijk het geld bij mij,
     Neem thuis een kijkje, waar een spilziek mensch
     Het toezicht houdt (en dat maakt mij bezorgd,)
     En ik zal aanstonds komen. (_Af._)

ANTONIO:
     Haast u wat,
     Beminnelijke Jood.--Hij zal bepaald
     Een Christen worden, want hij wordt zoo lief.

BASSANIO:
     De liefde staat mij tegen in een dief.

ANTONIO:
     Kom, wees niet bang; een maand vr den termijn,
     Zal heel mijn vloot weer in de haven zijn. (BEIDEN _af._)




TWEEDE BEDRIJF

TOONEEL I.

_Belmont. Een Vertrek in_ PORTIA'S _Huis._


_Hoorngeschal. De_ PRINS VAN MAROCCO _komt op met zijn_ GEVOLG: PORTIA,
NERISSA _en_ BEDIENDEN.

MAROCCO:
     Wees niet van mij afkeerig om mijn kleur,
     De schaduw'ge livrei der vonkelzon;
     'k Ben haar gebuur, geboren bij haar licht.
     Breng mij den blanksten uit de Noorderstreek,
     Waar Phoebus' vuur de pegels nauw ontdooit,
     En laat ons de aad'ren oop'nen voor uw min,
     En zien wiens bloed het roodst is, 't zijn of 't mijn.
     Ik zeg u, jonkvrouw, dit mijn uiterlijk
     Heeft dapperen onthutst: 'k zweer, bij mijn min,
     De meest gezochte maagden van mijn land
     Beminden 't ook. Ik maak die tint niet weg,
     Dan om uw hart te stelen, mijn vorstin.

PORTIA:
     'k Word bij de keuze niet alleen geleid
     Door 't keurig[20] schatten van een meisjesoog:
     En bovendien belet de loterij
     Om mijn bestemming, 't recht van vrije keus:
     Maar als mijn vader mij niet had beperkt,
     En door zijn wil verplicht dat ik mij gaf
     Aan hem die me op gezegde wijze wint,
     Uw kans, befaamde Prins, stond even mooi
     Als die van een'gen minnaar dien ik zag,
     Op mijne liefde.

MAROCCO:
     Daarvoor dank ik u;
     Breng mij, ik bid u, naar de kistjes dus,
     'k Wil mijn geluk beproeven. Bij dit zwaard,--
     't Versloeg den Sophi[21] en een Perzisch prins,
     Die driemaal Sultan Soliman verwon,--
     Ik stilde 't staren van het grimmigst oog,
     Trotseerde 't onverschrokkenst hart op aard,
     'k Ontrukte 't zuigend jong aan de berin,
     Ja, 'k tergde zelfs den leeuw die brult om prooi,
     Om u te winnen, jonkvrouw. Maar, helaas!
     Als Hercules en Lichas[22] er om dobb'len
     Wie 't dapperst is, dan kan de hoogste worp
     Bij toeval komen uit de zwakste hand:
     Zoo doet Alcides[23] onder voor zijn knecht;
     Zoo kan ook ik, door 't blind geluk geleid,
     Dat missen wat een mind're winnen kan,
     En sterven van verdriet.

PORTIA:
     Beproef uw kans;
     En doe f heel geen poging tot een keus,
     Of zweer voordat ge kiest, dat, slaagt ge niet,
     Gij later nooit tot n'ge jonkvrouw spreekt
     Inzake een huw'lijk: overleg dus goed.

MAROCCO:
     Dat zal 'k ook niet; kom breng mij naar mijn kans.

PORTIA:
     Eerst naar den tempel;[24] na het middagmaal
     Beproeft ge uw kans.

MAROCCO:
     Dan sta 't geluk mij bij,
     Waardoor 'k gezegend, of rampzalig zij!

(_Hoorngeschal. Allen af._)




TOONEEL II.

_Veneti. Een Straat._


LANCELOT GOBBO _komt op._

LANCELOT:
     Natuurlijk zal mijn geweten 't goed vinden dat ik van dien Jood,
     mijn meester, wegloop. De booze staat naast me, en brengt me in de
     verzoeking, en zeit tegen me: "Gobbo, Lancelot Gobbo, beste
     Lancelot, of beste Gobbo, of beste Lancelot Gobbo, neem je beenen
     op, ga d'r van door, loop weg." Mijn geweten zegt: "Nee; pas op,
     brave Lancelot; pas op, brave Gobbo;" of, zooals ik daarnet zei:
     "brave Lancelot Gobbo; loop niet weg: schop weg van je dat idee van
     wegloopen." Maar kijk, die allerdapperste booze gelast me mijn
     biezen te pakken. "Via!"[25] zeit de booze; "Weg!" zeit de booze,
     "in 's Hemels naam, neem een flink besluit," zeit de booze; "en
     loop weg." Maar jawel, mijn geweten, hangend om den nek van mijn
     hart, zegt heel verstandig tegen me: "Mijn brave vriend Lancelot,
     als zoon van een braven vader,"--of liever van een brave
     moeder;--want welbeschouwd was er een luchtje aan mijn vader,--d'r
     was iets met hem aan den knikker,--hij was niet zuiver op de graat:
     nu, mijn geweten zegt: "Lancelot, ga niet op de loop," "ga op de
     loop" zegt de booze: "ga niet op de loop," zegt mijn geweten weer.
     "Geweten," zeg ik, "je geeft me een goeden raad;" "booze," zeg ik,
     "je geeft me ook een goeden raad." Als ik me door mijn geweten laat
     leiden, moet ik bij mijn meester den Jood, die (God vergeef 't me)
     een soort van duivel is, blijven; en om van den Jood weg te loopen,
     moet ik mij laten leiden door den booze, die, met zijn welnemen, de
     duivel in eigen persoon is. Waarachtig, de Jood is de vleeschgeworden
     duivel, en op mijn geweten, mijn geweten is een hardvochtig stuk
     geweten om mij te durven aanraden bij den Jood te blijven. De duivel
     geeft den vriendelijksten raad: ik zal drossen, duivel, mijn hielen
     zijn tot uw orders, drossen zal ik.

_De oude_ GOBBO _komt op met een mand aan den arm._

GOBBO:
     O, zeg eens, Meneertjelief; kun je me asjeblieft den weg wijzen
     naar Meneer den Jood.

LANCELOT (_Ter zijde_):
     Goeie Hemel! dat is mijn bloed-eigen vader, en doordat-i meer dan
     erg kippig oftewel stekeblind is, kent-i me niet:--ik zal ereis
     probeeren hem er in te laten loopen.

GOBBO:
     Meneertjelief, zeg me asjeblieft den weg naar Meneer den Jood.

LANCELOT:
     Ga bij den naasten draai rechts af, maar bij den allernaasten draai
     links af; maar aan den allerallernaasten draai sla je nergens af,
     maar je draait indirekt[26] het huis van den Jood binnen.

GOBBO:
     Allemachies, dat zal een moeielijke weg zijn om te vinden. Kan u me
     ook zeggen of eene Lancelot, die bij hem woont, bij hem is of niet?

LANCELOT:
     Bedoel je den jongeheer Lancelot?--(_ter zijde_) Let nu goed op, nu
     zal ik de poppen laten dansen.--Bedoel je den jongeheer Lancelot?

GOBBO:
     Geen _Jongeheer_, Meneer, maar een armemans zoon: z'n vader is, al
     zeg ik 't zelf, een heele eerlijke arme man, maar die, Goddank,
     toch kan rondkomen.

LANCELOT:
     Goed, laat z'n vader wezen wie die wil, we hebben 't nu over den
     jongeheer Lancelot.

GOBBO:
     Uw gehoorzame dienaar, en Lancelot, Meneer.

LANCELOT:
     Maar ik bid je, _ergo_, ouwe man, _ergo_, ik smeek je, heb je 't
     over den jongeheer Lancelot?

GOBBO:
     Over Lancelot, met uw heerschaps welnemen.

LANCELOT:
     _Ergo_ over den jongeheer Lancelot. Praat niet over jongeheer
     Lancelot, vader; want de jongeheer is (volgens lot en beschikking,
     en dergelijke vreemde gezegden, de drie zusters,[27] en dergelijke
     geleerdhedens) overleden; of, zooals men het in ronde woorden zou
     zeggen, naar den Hemel gegaan.

GOBBO:
     God beware me! die jongen was heelemaal de staf van mijn ouwen dag,
     zoo heelemaal mijn steun.

LANCELOT:
     Zie ik er uit als een knuppel of een dakpaal, of een steun?--Ken je
     me ook, vader?

GOBBO:
     Ach heeremetijd, neen, ik ken je niet, Meneertje; maar ik bid je,
     zeg me toch, is mijn jongen (God mag z'n ziel genadig wezen!)
     levend of dood?

LANCELOT:
     Ken je me niet, vader?

GOBBO:
     Ach, Meneer, ik ben stekeblind; ik ken u niet.

LANCELOT:
     Neen, en ook al hadt u je oogen, dan zou je me misschien toch niet
     kennen: dt is eerst een knappe vader die zijn eigen kind kent.
     Komaan, ouwe man, ik zal je nieuws van je zoon vertellen. (_Hij
     knielt._) Geef me je zegen: de waarheid komt toch aan 't licht;
     moord kan niet lang verborgen blijven, maar wel van wien iemand de
     zoon is; maar in 't eind komt de waarheid toch aan den dag.

GOBBO:
     Sta asjeblieft op, Meneer. Ik ben er zeker van dat u mijn jongen
     Lancelot niet bent.

LANCELOT:
     Laten we er asjeblieft geen gekheid meer over maken, maar geef me
     uw zegen: ik ben Lancelot, je jongen die was, je zoon die is, je
     kind dat zal zijn.

GOBBO:
     Ik kan niet gelooven dat u me zoon bent.

LANCELOT:
     Ik weet niet wat ik daarvan zeggen moet; maar ik ben Lancelot, de
     knecht van den Jood, en ik ben er zeker van dat uw vrouw, Grietje,
     mijn moeder is.

GOBBO:
     Waarachtig, haar naam is ook Grietje; en ik zweer d'er op, dat als
     jij Lancelot bent, je mijn eigen vleesch en bloed bent. Mijn Hemel,
     de jongen zou EdelAchtbare kunnen wezen! Wat heb je een baard
     gekregen! Je hebt meer haar aan je kin dan mijn karrepaard Dorus
     aan z'n staart.[28]

LANCELOT:
     Dan groeit Dorus z'n staart bepaald tegen z'n rug op; want ik weet
     zeker dat hij meer haar in zijn staart had dan ik op mijn gezicht,
     toen ik hem 't laatst zag.

GOBBO:
     Heere, Heere, wat ben je veranderd! En kan je 't nogal goed met je
     meester vinden? 'k Heb 'n cadeautje voor 'm megebracht. Hoe sta je
     nu met hem?

LANCELOT:
     Goed, goed; maar, nu ik er mijn zinnen op gezet heb weg te loopen,
     heb ik voor mij geen zin stil te zitten voordat ik een eind heb
     geloopen. Mijn meester is op en top een Jood: hem een cadeau geven!
     Geef hem een strop: ik word uitgehongerd in zijn dienst; je kunt al
     m'n vingers met mijn ribben tellen. Vader ik ben blij dat je
     gekomen bent: geef je cadeau liever aan 'n zekeren menheer
     Bassanio, die bizonder mooie livreien geeft. Als ik hem niet mag
     dienen, dan zal ik zoover loopen als God me grond geeft.--O wat 'n
     mooi buitenkansje! daar komt hij zelf aan;--naar hem toe, vader:
     want ik ben een Jood, als ik den Jood langer wil dienen.

BASSANIO _komt met_ LEONARDO _en ander_ GEVOLG _op._

BASSANIO:
     Dat kun je wel doen:--maar laat er z'n haast achter gezet worden,
     dat 't souper op z'n laatst om vijf uur klaar is. Laat deze brieven
     bezorgen; laat de livreien maken, en vraag of Gratiano dadelijk bij
     me aan huis komt.

(_Een_ BEDIENDE _af._)

LANCELOT:
     Naar hem toe, vader!

GOBBO:
     God zegen UEdele!

BASSANIO:
     Dank je zeer. Wou je wat van me hebben?

GOBBO:
     Dat is mijn zoon, Meneer, een arme jongen--

LANCELOT:
     Gn arme jongen, Meneer, maar de bediende van den rijken Jood; en
     ik wou wel graag, Meneer, zooals mijn vader 't u zal expliceeren--

GOBBO:
     Hij heeft, on zoo te zeggen, Meneer, heel veel senie om bediende te
     zijn bij--

LANCELOT:
     Ja, om het nu maar eens in n woord te zeggen, ik ben bediende bij
     den Jood, en ik verlang, zooals mijn vader 't u zal expliceeren--

GOBBO:
     Zijn meester en hij zijn met UWEdele's welnemen lang geen
     koek-en-ei met elkaar--

LANCELOT:
     Om kort te gaan, het is de heuzelijke waarheid dat de Jood, omdat-i
     me gemeen heeft behandeld, mij dwingt, zooals mijn vader, die een
     oud man is, naar ik hoop u zal parlementeeren--

GOBBO:
     Ik heb hier een schoteltje duiven, dat ik UEdele wel zou willen
     cadeau doen; en mijn verzoek is--

LANCELOT:
     Kort en goed, het verzoek comprommeteert[29] mezelf, zooals UEdele
     zult te weten komen van dezen braven ouwen man; en, al zeg ik het
     zelf, al is-i 'n ouwe man, toch mijn vader, de arme man.

BASSANIO:
     Laat n voor allebei spreken.--Wat wil je?

LANCELOT:
     U dienen, Meneer.

GOBBO:
     Dat is juist het defectieve[30] van de zaak, Meneer.

BASSANIO:
     Ik ken je goed: 't verzoek is toegestaan.
     Je meester Shylock sprak mij nog vandaag,
     Je aanbevelend; als 't een aanbeveling
     Mag heeten weg te gaan bij 'n rijken Jood
     Om knecht te zijn van zoo'n arm edelman.

LANCELOT:
     Het oude spreekwoord[31] is net mooi verdeeld tusschen mijn meester
     Shylock en u, Meneer: u hebt Gods genade, Meneer, en hij heeft
     genoeg.

BASSANIO:
     Heel goed gezegd.--Ga, vader, met je zoon:--
     Neem afscheid van je vroeg'ren heer, en zoek
     Mijn woning;--geeft hem een livrei (_tot zijn_ GEVOLG)
     Met meer garneersel dan zijn kameraads.

LANCELOT:
     Kom, vader.--Ik kan geen dienst krijgen, o nee! En ik heb heelemaal
     geen tong in mijn mond!--Ziezoo; (_zijn handpalm bekijkend_) als er
     nu toch n mensch in Itali is die een mooiere palm heeft! Ze zou
     op den Bijbel durven zweren dat ik goed geluk zal hebben!--Kijk
     ereis aan; is me dat een levenslijntje! Daar zit me een bagatelletje
     vrouwen in: ach! vijftien vrouwen is zoo goed als niets: elf weduwen
     en negen maagden is maar 'n eenvoudig vooruitzicht voor n man; en
     dan, driemaal van 't verdrinken gered te worden, en in levensgevaar
     te zijn aan den rand van bedje van veeren:--dat zijn geen kleine
     buitenkansjes! Nu, als de fortuin een vrouwis,danis'topzoo'n
    maniereenbestemeid.--Kom, vader.IkzalalseenhaasvandenJood
    afscheidnemen.

(LANCELOT_endeoude_ GOBBO_af._)

BASSANIO:
     Ikbidu,vriendLeonardo,denkhierom:
     Alsallesisgekocht,engoedbezorgd,
     Komsneldanweer,wantikonthaalvannacht
     Mijnmeestgeachtevrienden:haastu,ga.

LEONARDO:
     'kZalallesnaarmijnbestekrachtendoen.

GRATIANO_komtop._

GRATIANO:
     Waarisuwmeester?

LEONARDO:
     Zie,daargaathijheen.(LEONARDO_af_).

GRATIANO:
     SignorBassanio!

BASSANIO:
     Gratiano!

GRATIANO:
     'kHebeenverzoekaanu.

BASSANIO:
     'tIstoegestaan.

GRATIANO:
     Weiger'tmijniet.IkmoetmetunaarBelmont.

BASSANIO:
     Danmoetgijook;maarhooreens,Gratiano.
     Gijzijttewild,teruw,teboudvantaal;
     Dieeigenschappenstaanugoedgenoeg,
     Enzijngeenfouteninonsoog;maarwaar
     Gijnietbekendzijt,zie,drlijkenzij
     Wat_te_ vrijmoedig.'kBidu,doeuwbest
     Ommetwatkoudedroppenzedigheid
     Uwvuur'gengeesttemaat'gen;opdatik
     Gindsnietmiskendworddooruwwildgedrag,
     Enzoomijnhoopverbeur.

GRATIANO:
     SignorBassanio,
     Als'kmijnietsteekin'tkleedvandeftigheid,
     Meteerbiedspreek,ennuendanslechtsvloek,
     Methetgetijboekbijmezedigkijk,
     Jazelfsbij'tbiddenaldusmetmijnhoed
     Mijneoogendek,enzucht,enamenzeg,
     Enalderegelsvolgderhoff'lijkheid,
     Alsiemand,die,zijngrootjetenplezier,
     Eenernst'gehoudinggoedheeftbestudeerd,
     Weesdanmijnvriendnietmeer.

BASSANIO:
     Wijzullenzien.

GRATIANO:
     Behalvedanvannacht.Beoordeelmij
     Nietnaarvannacht.

BASSANIO:
     Neen,datzoujammerzijn.
     'kVraaguveeleeronutedossenin
     Uwwildstevreugde-pak,ikkrijgbezoek
     Datzeernaarpretverlangt.Maarvaargijwel,
     Ikhebnogietstedoen.

GRATIANO:
     EnikmoetnaarLorenzoenderest;
     Maarbijhetavondetenzie'kuweer.(ALLEN_af_).




TOONEELIII.

_Veneti.EenKamerinShylocksHuis._


JESSICA_en_ LANCELOT_komenop._

JESSICA:
     Hetspijtmedatjevaderzooverlaat:
     'tIshiereenhel,jij,opgeruimdeduivel,
     Beroofde'thuissomsvanzijnaak'ligheid.
     Vaarweldan;hieriseendukaatvoorjou.
     En,Lancelot,spoedigziejeaan'tsouper
     Lorenzo,alsuwnieuwenmeestersgast;
     Geefdezenbriefaanhem,maarin'tgeheim.
     Vaarweldan;'kzounietwillendatmijnvader
     Mijmetjesprekenzag.

LANCELOT:
     Vaarwel! tranen betoonen[32] mijn tong. Prachtstuk van een
     heidin,--allerliefste Jodendochter! Als een Christen geen listige
     streek uithaalt om u te krijgen, dan bedrieg ik me sterk: maar
     vaarwel! Deze malle droppels verdrinken mijn mannelijke flinkheid
     min of meer: vaarwel! (_Af._)

JESSICA:
     Vaarwel, mijn beste Lancelot.
     Ach, wat een booze zonde is 't toch van mij,
     Beschaamd te zijn mijn vaders kind te zijn!
     Maar ben ik al een dochter van zijn bloed
     'k Ben 't niet van zijn karakter. O Lorenzo!
     Als gij uw woord houdt, is mijn tweestrijd uit,
     Ik word Christin en uw geliefde bruid. (_Af._)




TOONEEL IV.

_Veneti. Een Straat._


GRATIANO, LORENZO, SALARINO _en_ SOLANIO _komen op._

LORENZO:
     Goed, onder 't eten gaan we heim'lijk weg,
     Vermommen ons bij mij, en keeren weer,--
     Dat alles binnen 't uur.

GRATIANO:
     Wij hebben ons nog niet goed voorbereid.

SALARINO:
     En fakkeldragers zijn nog niet besteld.

SOLANIO:
     't Zal slecht gaan, als 't niet knap geregeld wordt;
     Mijns inziens ware 't beter 't niet te doen.

LORENZO:
     't Is pas vier uur; wij hebben er nog twee
     Voor toebereids'len.--

LANCELOT _komt op met een brief._
     Lancelot,watvoornieuws?

LANCELOT:
     Alsu'tgoedvindtdezenopentebreken,danzal
     hijuwelietsmekunnendeelen.(_Hijgeeftdenbriefaf._)

LORENZO:
     Ik ken de hand: ja, 't is een mooie hand;
     En witter dan 't papier waarop het schreef,
     Is 't handje dat dit schreef.

GRATIANO:
     Eenminnebrief!

LANCELOT:
     Vergunme,Meneer.

LORENZO:
     Waargaatgeheen?

LANCELOT:
     Wel,Meneer,mijnoudenmeesterdenJooduitnoodigen
     omvanavondbijmijnnieuwenmeesterdenChristen tesoupeeren.

LORENZO:
     Hier, neem dit:[33]--zeg de schoone Jessica
     Dat ik er zijn zal; zeg het in 't geheim. (LANCELOT _af._)
     Mijnheeren,
     Maakt voor de maskerade u straks gereed,
     'k Ben van een fakkeldrager reeds voorzien.

SALARINO:
     Goed, 'k zal onmiddellijk het nood'ge doen.

SOLANIO:
     Dat zal ik ook.

LORENZO:
     En in Gratiano's huis
     Treft gij mij na een uurtje met hem aan.

SALARINO:
     'tIsgoed,wijzullen'tdoen.(SALARINO_en_ SOLANIO_af._)

GRATIANO:
     ZondudeschooneJessicadienbrief?

LORENZO:
     'kVertelualles:--zijheeftmijbericht,
     Hoe'khaarmoethalenuithaarvadershuis,
     Hetgoudendejuweelendiezijheeft,
     Welk page-kleed zij in gereedheid houdt.
     Komt ooit de Jood haar vader in den hemel,
     't Zal zijn om zijner lieve dochter wil;
     Nooit zette 't ongeluk den voet haar dwars,
     Tenzij het dit om deze reden doet,
     Dat zij het kind is van een slechten Jood.
     Ga nu met mij, en lees dit onder 't gaan.
     De schoone Jessica draagt mijne toorts. (BEIDEN _af._)




TOONEEL V.

_Veneti. Voor_ SHYLOCKS _Huis._


SHYLOCK _en_ LANCELOT _komen op._

SHYLOCK:
     Nu zul je met je eigen oogen zien
     Hoe Shylock en Bassanio verschillen.--
     Hei, Jessica!--je eet je lang niet vol
     Zooals je 't deedt bij mij;--hei, Jessica!--
     Je slaapt en snorkt niet, slijt geen pakken af;--
     Kom, Jessica, zeg ik!

LANCELOT:
     Kom, Jessica!

SHYLOCK:
     Wie zegt dat jij moet roepen? Ik toch niet.

LANCELOT:
     UEdele zei me altijd dat ik nooit iets _kon_ wanneer 't me _niet_
     gezegd was.

JESSICA _komt op._

JESSICA:
     Roept u? Wat is uw wil?

SHYLOCK:
     'k Ben uitgenoodigd op een avondmaal:
     Ziehier mijn sleutels.--Maar waarom zou 'k gaan?
     Men vraagt me uit vriendschap niet; ze vleien mij:
     Maar toch zal 'k gaan uit haat om te eten van
     Den Christ'lijken verkwister.--Jessica,
     Pas op mijn huis:--ongaarne ga ik heen.
     Er wordt iets kwaads gebrouwen tegen mij,
     Want 'k heb van nacht van zakken goud gedroomd.

LANCELOT:
     Ik smeek u, Meneer, ga: mijn jonge meester wacht op uw bekomst.[34]

SHYLOCK:
     En ik ook op de zijne.

LANCELOT:
     En zij hebben een afspraak gemaakt:--ik zal niet zeggen dat u een
     maskerade zult zien; maar als u er een ziet, dan was het niet voor
     niemendal dat mijn neus verleden Paaschmaandag om zes uur 's
     morgens begon te bloeden, terwijl 't zoo uitviel dat 't dt jaar op
     Aschdag[35] vier jaar 's middags was.

SHYLOCK:
     Wat? Maskerades?--Luister, Jessica,
     Sluit alle deuren; hoort ge trommelslag,
     En 't piepend janken van de kromhals-fluit,
     Klauter me dan niet tegen 't venster op,
     Steek niet uw hoofd op de publieke straat
     Voor Christengekken met geverfd gezicht,
     Maar stop de vensters, de ooren van mijn huis;
     Laat tot mijn ernstig huis 't geluid niet toe
     Van holle zotternij.--Bij Jakobs staf,
     'k Wou liefst van avond niet van huis naar 't feest,
     Maar toch zal 'k gaan.--Jongmensch, ga voor mij uit:
     Zeg, dat ik kom.

LANCELOT:
     Ik zal vooruit gaan, Meneer.--(_Ter zijde tot_ JESSICA).
     Juffrouw, kijk met dat al toch uit het raam;
     Want een Christen komt voorbij,
     Waard dat een Jodin hem vrij'. (_Af._)

SHYLOCK:
     Wat zegt die zot van Hagars nakroost, h?

JESSICA:
     Hij zei niets anders dan "Vaarwel Juffrouw."

SHYLOCK:
     De zotskap is wel vrindlijk, maar een vraat,
     Slak-traag in 't winnen, en hij slaapt bij dag
     Meer dan een boschkat: hommels wil ik niet;
     Daarom laat ik hem gaan, en 'k laat hem gaan
     Naar een dien hij naar 'k hoop 't geleende geld
     Verkwisten helpt.--Naar binnen, Jessica;
     Misschien kom ik onmiddellijk terug.
     Doe als 'k je zeg, en sluit de deuren dicht:
     "Wat vastgehouden wordt, vast weergevonden wordt,"
     Spreuk die door zuin'gen nooit geschonden wordt. (_Af._)

JESSICA:
     Vaarwel, en is 't geluk mij goed gezind.
     Mis ik een vader, en mist gij een kind. (_Af._)




TOONEEL VI.

_Dezelfde Plaats der Handeling._


GRATIANO _en_ SALARINO _komen gemaskerd op._

GRATIANO:
     Dit is de luifel, waar Lorenzo vroeg
     Dat men hem wachten zou.

SALARINO:
     Zijn uur is bijna om.

GRATIANO:
     En 't is een wonder dat hij 't uur verlet,
     Want minnaars loopen steeds de klok vooruit.

SALARINO:
     O! tienmaal vlugger vliegen Venus' duiven
     Om nieuwe banden te bezeeg'len, dan
     Om de eens beloofde trouw gestand te doen!

GRATIANO:
     Steeds komt dat uit: wie staat van 't feestmaal op
     Met d'eetlust waar hij mede zitten gaat?
     Waar is het paard, dat met het felle vuur,
     Waarme het door de lange renbaan reed
     Zijn stappen nog eens zet? Al wat bestaat
     Wordt greet'ger nagejaagd dan 't wordt genoten.
     Als een verkwistend jonker gaat de bark,
     Getooid met wimpels, uit de moederbaai,
     Omhelsd, geliefdkoosd door den wulpschen wind!
     Hoe keert ze als de verloren zoon terug,
     Met ribben losgebeukt en flarden zeil,
     Verarmd, ontredderd door den wulpschen wind!

LORENZO _komt op._

SALARINO:
     Daar komt Lorenzo:--later meer hiervan.

LORENZO:
     Geduld, mijn lieve vrienden, nu 'k zoo talm;
     Niet ik, de omstandigheden zijn de schuld.
     Zoodra gij uwe vrouwen stelen gaat,
     'k Zal even lang op u dan wachten.--Komt;
     Hier woont de Jood, mijn vader.--Hola, daar!

JESSICA _verschijnt boven, in manskleeren._

JESSICA:
     Wie zijt ge? Zeg 't me voor meer zekerheid,
     Al zweer 'k ook dat uw stem mij is bekend.

LORENZO:
     Lorenzo, uw geliefde.

JESSICA:
     Lorenzo, zeker; mijn geliefde, ja,
     Want wien heb ik z lief? En wie dan gij,
     Lorenzo, weet of ik wel de uwe ben?

LORENZO:
     God en uw hart getuigen dat ge 't zijt.

JESSICA:
     Hier, vang dit kistje: 't is de moeite waard.
     't Is nacht gelukkig, gij kunt mij niet zien,
     Want 'k schaam mij over mijn vermomming zeer;
     Maar liefde is blind, en minnenden zien niet
     De dwaze grappen die zij zelf begaan;
     Want konden zij 't, Cupido bloosde zelf,
     Zag hij mij zoo veranderd in een knaap.

LORENZO:
     Daal af, gij moet mijn fakkeldrager zijn.

JESSICA:
     Wat nu? Mijn schande nog verlichten ook?
     Zij is van zelf, gerust, al veel te licht.
     Dat kan slechts tot ontdekking dienen, lief,
     En 'k moet in 't donker zijn.

LORENZO:
     Dat zijt ge, schat,
     Juist door de lief'lijke kleedij van knaap.
     Maar kom terstond;
     De duist're nacht gaat heim'lijk op den loop,
     En op Bassanio's feestmaal wacht men ons.

JESSICA:
     Ik sluit de deuren, en verguld mij zelf
     Met meer dukaten; dan zal 'k bij u zijn.

(_Zij verdwijnt boven._)

GRATIANO:
     Ze is een Godin, in trouwe, geen Jodin.

LORENZO:
     'k Mag sterven als ik haar niet hart'lijk min:
     Ze is schrander, als ik haar naar waarheid schat,
     Ze is schoon, indien mijn oog mij niet bedriegt,
     Ze is trouw, zooals zij 't ook bewezen heeft;
     Dus schrander, schoon en trouw, zich zelf gelijk,
     Vindt zij in mijn standvast'ge ziel een plaats.

(JESSICA _verschijnt beneden._)

     Hoe? zijt ge er al?--Komt, Heeren, het is tijd;
     Wij worden door den optocht thans verbeid.

(_Af met_ JESSICA _en_ SALARINO.)

ANTONIO _komt op._

ANTONIO:
     Wie is dat daar?

GRATIANO:
     Signor Antonio?

ANTONIO:
     Foei, foei, Gratiano! Waar zijn de and'ren toch?
     't Is negen uur! De vrienden wachten u:
     Geen optocht nu; de wind is omgedraaid;
     Bassanio gaat onmiddellijk aan boord,
     Wel twintig boden zond ik naar hem uit.

GRATIANO:
     Gelukkig; niets lacht mij nu zzeer aan
     Dan weg te zeilen en van hier te gaan.  (_Beiden af._)




TOONEEL VII.

_Belmont. Een vertrek in_ PORTIA'S _Huis._


_Hoorngeschal._ PORTIA _en de_ PRINS VAN MAROCCO _komen op met hun
beider_ STOET.

PORTIA:
     't Gordijn nu weggeschoven, en ontdekt
     Het drietal kistjes aan den eed'len Prins.--
     Doe thans uw keus.

MAROCCO:
     Het eerste, een gouden, dat dit opschrift draagt:
     "Wie mij kiest, wint wat menigeen begeert."
     Het tweede, een zilv'ren, dat als volgt belooft:
     "Wie mij kiest, krijgt zooveel als hij verdient."
     Dit derde, 't logge lood, met lomp vermaan:
     "Wie mij kiest, geve en wage al wat hij heeft."
     Hoe kan ik weten of 'k het juiste kies?

PORTIA:
     In een van hen ligt mijne beelt'nis, Prins,
     En kiest gij dat, ik ben er de uwe door.

MAROCCO:
     Een god bestuur' mijn oordeel! Laat mij zien.
     'k Loop omgekeerd nog eens de spreuken door:
     Wat zegt dit looden kistje?
     "Wie mij kiest, geve en wage al wat hij heeft."
     Geve--Voor wat? voor lood? hij waag' voor lood?
     Dit kistje dreigt;--wie alles, alles waagt,
     Hij doet het hopend op een mooie winst:
     Een gouden geest bukt niet naar laag metaal;
     En daarom geef en waag ik niets voor lood.
     Wat zegt het zilver, maagdelijk getint?
     "Wie mij kiest, krijgt zooveel als hij verdient."
     Zooveel als hij verdient?--Marocco, wacht,
     En weeg uw waarde met een vaste hand.
     Als gij geschat wordt naar uw goeden naam,
     Genoeg verdient gij dan; maar dit genoeg
     Strekt zich misschien niet tot de jonkvrouw uit,
     Maar toch, bezorgd te zijn voor mijn waardij,
     Waar' slechts een zwak verkleinen van mijzelf.
     Zooveel als ik verdien! Nu, 't is de jonkvrouw:
     'k Verdien haar door geboorte en door fortuin,
     Door mijn talenten en beschaafden toon;
     'k Verdien haar door mijn liefde 't allermeest.
     Hoe als 'k niet verder dwalend, dit hier koos?--
     Laat nog eens zien de spreuk in goud gegrift:
     "Wie mij kiest, wint wat menigeen begeert."
     Nu, 't is de jonkvrouw, die een elk begeert:
     Uit alle hoeken komen zij der aard,
     Naar 't altaar hier, dit levend heil'genbeeld.
     Hyrcani's[36] woestenij, de wildernis
     Van 't wijde Arabi zijn de paden thans
     Voor vorsten, wenschend Portia te zien:
     Het waat'rig rijk, welks overmoedig hoofd
     Spuwt in 't gelaat des hemels, stelt geen perk
     Aan vreemdelingen-moed; zij komen aan
     Als door een beek om Portia te zien.
     Een van de drie bevat haar hemelsch beeld.
     Of 't lood dit doet? Het zou verdoem'lijk zijn
     Z laag te denken: 't lood waar' te gemeen
     Haar lijkwa zelfs te omklen in 't donk're graf.
     Of moet ik denken dat haar 't zilver bergt,
     Dat tienmaal minder is dan 't lout're goud?
     Zond'ge gedachte! Zulk een rijk juweel
     Werd nooit in min dan goud gezet. Men heeft
     Een munt in Eng'land, met een eng'lenbeeld
     In goud gestempeld, 't ligt er boven op;
     Hier ligt een engel in een gouden bed
     Geheel besloten.--Geef den sleutel aan;
     Dit kies ik, hoe ook de uitslag moge zijn!

PORTIA:
     Daar, neem hem, Prins; en ligt mijn beelt'nis hier,
     Dan ben ik de uwe.  (_Hij ontsluit het gouden kistje._)

MAROCCO:
     O hel! Wat zie ik daar?
     Een doodshoofd, met in 't ledig oog een rol,
     Die is beschreven, 'k Lees hier wat er staat:

          "Al wat glinstert is geen goud,
          Luidt een spreekwoord, wijs en oud;
          Menig waagde 't leven stout,
          Maar heeft slechts mijn schijn aanschouwd.
          't Gulden graf meest wormen houdt.
          Waart gij even wijs als boud,
          Jong van lijf, van oordeel oud,
          Deez' rol ware u niet ontvouwd:
          Ga, de keus heeft u berouwd."

     Ja, berouwd, en moeite om niet:
     Dus welkom, vorst, nu warmte mij verliet.--
     Portia, vaarwel! mijn hart is vol geween;
     'k Talm dus niet lang: zoo gaan verliezers heen. (_Af._)

PORTIA:
     Een vroolijk slot!--'t Gordijn gesloten: gaat.
     Zoo kieze me iedereen met zoo'n gelaat.  (_Allen af._)




TOONEEL VIII.

_Veneti. Een Straat._


SALARINO _en_ SOLANIO _komen op._

SALARINO:
     Wel, man, ik zag Bassanio onder zeil:
     Met hem is Gratiano meegegaan;
     In hun schip is Lorenzo zeker niet.

SOLANIO:
     De hondsjood riep den Doge op door geschreeuw,
     Die met hem meetoog naar Bassanio's schip.

SALARINO:
     Hij kwam te laat, het schip was onder zeil;
     Maar daar ontving de Doge op eens 't bericht:
     Lorenzo en zijn lieve Jessica
     Zijn in een gondel met elkaar gezien;
     En ook verklaarde Antonio den Doge
     Dat zij niet waren in Bassanio's schip.

SOLANIO:
     Ik hoorde nooit een hartstocht, zoo verward,
     Zoo vreemd, uitbundig en afwisselend,
     Als 't Joodsch stuk vee deed galmen door de straat:
     "Mijn dochter!--Mijn dukaten!--O mijn dochter!
     Weg met een Christen!--Christ'lijke dukaten!
     Wet! Recht! O mijn dukaten en mijn dochter!
     En zak, twee zakken goed verzegeld, vol
     Dukaten, door mijn dochter mij ontstolen!
     Juweelen ook, twee rijke, kost'bre steenen,
     Gestolen door mijn dochter! Spoort haar op!
     Zij heeft de steenen en dukaten me!"

SALARINO:
     De jongens in Veneti volgen hem
     En roepen: "Steenen, dochter en dukaten!"

SOLANIO:
     Antonio houde zich aan zijn termijn,
     Hij boet er anders voor.

SALARINO:
     Ja, zeg dat wl.
     'k Had gist'ren met een Franschman een gesprek,
     Die mij vertelde dat in 't nauw stuk zee
     Dat Engeland van Frankrijk scheidt, een schip,
     Met rijke vracht, uit ons land, was vergaan.
     'k Dacht aan Antonio, toen ik dat vernam,
     En wenschte in stilte dat het hem niet trof.

SOLANIO:
     't Is raadzaam dat gij 't aan Antonio zegt;
     Maar niet te plots'ling, 't griefde hem zoo licht.

SALARINO:
     Er loopt geen vriendelijker man op aard'.
     'k Zag 't afscheid van Bassanio en hem.
     Bassanio zei dat hij zich haasten zou
     Terug te komen, maar hij zei: "Doe 't niet;
     Verknoei uw zaak nu niet om mijnentwil.
     Maar wacht totdat de tijd haar heeft gerijpt:
     En wat mijn afspraak met den Jood betreft,
     Zij store uw geest, die liefde koestert, niet.
     Wees vroolijk: maak het hof met hart en ziel,
     En toon uw liefde op zulk een schoone wijs
     Als bij de rol past die ge ginds vervult."
     Toen wendde hij, zijn oog van tranen zwaar,
     't Gelaat om, gaf hem afgewend de hand,
     En diep getroffen, vol genegenheid,
     Greep hij Bassanio's hand; zoo scheidden zij.

SOLANIO:
     Mij dunkt, hij heeft slechts de aarde lief om hem.
     Ik bid u, gaan we en zoeken we hem op
     En fleuren wij met een of ander spel
     Den weemoed die hem knelt wat op.

SALARINO:
     Zeer goed.  (_Beiden af._)




TOONEEL IX.

_Belmont. Een Kamer in_ PORTIA'S _Huis._


NERISSA _komt op met een_ DIENAAR.

NERISSA:
     Vlug, bid ik u, schuif daad'lijk weg 't gordijn;
     De Prins van Arragon zwoer reeds den eed,
     En nadert aanstonds om zijn keus te doen.

_Hoorngeschal. De_ PRINS VAN ARRAGON _en_ PORTIA _komen op met hun_
STOET.

PORTIA:
     Aanschouw, daar staan de kistjes, eed'le Prins,
     En kiest gij dat waarin 'k besloten ben,
     Dan wordt terstond ons huw'lijksfeest gevierd;
     Maar als gij faalt, dan moet gij zonder meer
     Onmiddellijk van hier vertrekken, Prins.

ARRAGON:
     'k Ben tot drie dingen door mijn eed verplicht:
     Ten eerste maak ik niemand ooit bekend
     Welk kistje ik koos: dan, als ik falen mocht
     In 't juiste kistje, zal 'k zoolang ik leef,
     Geen maagd ten huw'lijk vragen: eindelijk,
     Als ik mocht falen in 't geluk der keus,
     Ga ik, onmidd'lijk u verlatend, heen.

PORTIA:
     Op die verplichtingen zweert ieder, die
     Een kans waagt voor mijn waardelooze zelf.

ARRAGON:
     'k Ben ook daartoe bereid. Bekroon, fortuin,
     Mijns harten hoop!--Goud, zilver, waard'loos lood.
     "Wie mij kiest, geve en wage al wat hij heeft."
     Gij moet meer glanzen, eer ik geef of waag.
     Wat zegt het gouden kistje? Ha! laat zien:
     "Wie mij kiest, wint wat menigeen begeert."
     Wat menigeen begeert. Die _menigeen_ kan zijn
     Dedwazemenigte,diekiestop'toog,
     Dienietmeerweetdanwathaarzotheidziet,
     Nietnaar'tinwend'gespeurt,maaralsdezwaluw
     Indeopenluchtbouwtaandenbuitenmuur,[37]
     Juistin'tbereikenopdenwegvan'tlot.
     Watmenigeenbegeert,datkiesikniet,
     Wijl'knietgelijkwilstaanmethetgemeen,
     Mijnietwilscharenbijderuwehoop.
     Welnu,naarudan,zilv'renschatfoedraal;
     Zegmijnuookhetopschriftdatgevoert:
     "Wiemijkiest,krijgtzooveelalshijverdient."
     'tIsgoedgezegd.Wantwiestreeftnaarhetdoel
     'tGeluktepaaien,engeerdtezijn
     Zonderverdienste'smerk!Datniemandwaag'
     Eenonverdiendewaardigheidtevoeren.
     Datrangen,graden,ambtennietzoovuig
     Verworvenwerden!endatzuivereeer
     Gekochtwerddoorverdienstevandendrager!
     Wiedekteer'tongedektehoofddanniet?
     Wiewerddannietbevolen,diebeveelt?
     Hoemeen'gelageboerwerddangeoogst
     Van'techtezaaddereer!enhoeveeleer
     Gelezenuithetkafenpuindestijds
     Omnieuwenglanstekrijgen!Kom,mijnkeus:
     "Wiemijkiest,krijgtzooveelalshijverdient."
     Ikneemverdienste:--Geefdensleuteldus,
     Enthansontsluitezich'tgelukvoormij.

PORTIA:
     Gijhebttelanggetalmdvoor'tgeengijvindt.

ARRAGON:
     Watzie'k?eengekdiemetzijnoogenknipt,
     Enmijeenbriefjebiedt?'kZal'tlezen.--O,
     HoeongelijkzijtgijaanPortia,
     Aanwatikhoopteenwatikwaardigwas!
     "Wiemijkiest,krijgtzooveelalshijverdient."
     Verdiendeiknietsmeerdaneenzottenhoofd?
     Isdatmijnloon?Hebiknietsmeerverdiend?

PORTIA:
     Rechtertezijnentevensdelinquent
     Istegenstrijdig,nietvergund.

ARRAGON:
     Watzieik?

          "Zevenmalenindenhaard
          Ben'kgelouterd;'kevenaar
          'tOordeeldatgeenkeusvervaart:
          Hemdiemeteenschimzichpaart,
          Heeft'tslechtsschimvanlustgebaard.
          Gekkenzijner,naarmijnaard,
          Overzilverdennietswaard.
          Neemwiegijmaarwilttotbruid,
          Mijnhoofdheeftudatverbruid,
          Gadusheen,metuis'tuit."

     Enhoelanger'khierverkeer,
     Dwazerwordik,meerenmeer.
     Metnzotshoofdkwamikaan
     Maarmettweega'khiervandaan.--
     Lief,vaarwel.Ikhoudmijneed,
     Enverdraaggedweemijnleed.

(ARRAGON_afmetzijn_ STOET.)

PORTIA:
     Zoowasdekaarsvoor'tmotjewreed.
     O,dievoorzicht'gezotten!bijhunkeus
     Blijktalhunwijsheidnietsmeerdaneenleus.

NERISSA:
     'tIswaarheidwatonsdeoudespreukverhaalt:
     Hangenentrouwenwordtdoor'tlotbepaald.

PORTIA:
     Kom,schuif'tgordijnnudicht,Nerissa.

_Een_ BODE_komtop._

BODE:
     WaarisMilady?

PORTIA:
     Hier,watwilMilord?[38]

BODE:
     Mevrouw,aanuwepoortisafgestapt
     EenjongVenetiaan,dieuvooruit
     Denaad'ringvanzijnmeestermeldenkomt,
     Vanwienhijtastbareeerbewijzenbrengt:
     Rijkegeschenken,waarvolhoflijkheid
     Hijzichmedeaanbeveelt;en'kzagnognooit
     Zulkeenaantrekk'lijkliefdesafgezant;
     ZoozoeteendagkwamnimmerinApril,
     Alsvoorbovanhetkost'lijkzomertij,
     Alsdezebodevrzijnmeesterkomt.

PORTIA:
     Ikbidu,nunietmeer,'kbenhalfbevreesd
     Datgeaanstondshemtotbloedverwantbenoemt,
     Gijslaatzoo'nZondagstoonaanbijzijnlof.
     Kom,kom,Nerissa,wanthetmaaktmijblij
     Dienvluggenliefdebotezienbijmij.

NERISSA:
     Cupido,geef,dathetBassaniozij! (_Allenaf._)




DERDE BEDRIJF

TOONEEL I.

_Veneti. Een Straat._


SOLANIO _en_ SALARINO _komen op._

SOLANIO:
     Wel, wat voor nieuws op den Rialto?

SALARINO:
     Daar kwam het bericht--en het wordt niet tegengesproken--dat een
     rijk geladen schip van Antonio in de zeengte is vergaan; ze noemen
     't daar de Goodwinsbank,[39] geloof ik; een zeer gevaarlijke en
     noodlottige ondiepte, waar de karkassen van menig kloek schip
     begraven liggen, naar men zegt, als ten minste mijn babbelende
     tante Gerucht een vrouw van haar woord is die niet liegt.

SOLANIO:
     Ik wou wel dat ze hierin een even leugenachtige babbelkous was als
     er maar ooit een gember knabbelde[40] en haar buren wilde laten
     gelooven dat zij huilde om den dood van haar derden man. Maar het
     is waar,--zonder omhaal en rompslomp, en zonder den koninklijken
     weg van de taal te verlaten--dat de goede Antonio, de brave
     Antonio,--O, had ik maar een titel die goed genoeg is om zijn naam
     gezelschap te houden!

SALARINO:
     Kom, maak er een eind aan.

SOLANIO:
     Ha!--wat zegt ge daar?--Welnu het slot van de historie is dat hij
     een schip heeft verloren.

SALARINO:
     Mogeditook'tslotvanzijnverliezenblijken!

SOLANIO:
     Laatikbijtijdsamenzeggen,opdatdeduivelmijn gebednietmoge
    dwarsboomen,wantdaarkomthijaanin degedaantevaneenJood.

SHYLOCK_komtop._

     Wel,Shylock,watiservoornieuwsonderdekooplui?

SHYLOCK:
     Niemandwistzoogoedalsgij,neenniemand,van mijndochters
    vlucht.

SALARINO:
     Ja,datiswaar;ikvoormijkendeheelgoedden kleermakerdiede
    vleugelsmaaktewaarmezegevlogenis.

SOLANIO:
     EnShylockwistookheelgoeddatdevogelvliegree was;endan
    ligthetzooinhunaardomvandeoudenweg tegaan.

SHYLOCK:
     Zijzalervoorvergaan!

SALARINO:
     Ozeker,alsdeduivelhaarrechtermagzijn.

SHYLOCK:
     Mijneigenvleeschenbloedinopstand!

SOLANIO:
     Wegermee,oudcarogne!Komthetopzoo'n leeftijdnogin
    opstand?[41]

SHYLOCK:
     Ikbedoeldatmijndochtermijnvleeschenbloedis.

SALARINO:
     Eriseengrooterverschiltusschenjouvleesch enhetharedan
    tusschengitenivoor;entusschenjoubloed en hetharedan
    tusschenroodenenRijnwijn.Maarzegeens,weet geookofAntonio
    eenverliesopzeeheeftgeleden,jaofneen?

SHYLOCK:
     Daarhebikeenanderkoopjeme:eenbankroetier, eenverkwister,
    diezijngezichtternauwernoodopdenRialto durftvertoonen;een
    bedelaar,dieinzoo'nmooieplunjeop demarktplachtte
    komen.--Laathijmaaroppassenmetzijn kontrakt:hijwasgewoon
    mijeenwoekeraartenoemen;--laat hijmaaroppassenmetzijn
    kontrakt:hijwasgewoon gelduitteleenenuitChristelijke
    hulpvaardigheid;--laathij maaroppassenmetzijnkontrakt.

SALARINO:
     Maarikbenertochzekervandatge,alshijhet nietnakomt,zijn
    vleeschnietzulteischen?Waarzoudat goedvoorzijn?

SHYLOCK:
     Om visch me te vangen; en als er niets anders me werd gevoed, dan
     zou het mijn wraak voeden. Hij heeft mij te schande gemaakt en mij
     voor een half millioen benadeeld; hij heeft gelachen om mijn
     verliezen, gespot met mijn winsten, mijn volk gesmaad, mijn handel
     gedwarsboomd, mijn vrienden koel en mijn vijanden warm gemaakt,--om
     welke reden? Omdat ik een Jood ben. Heeft een Jood geen oogen?
     Heeft een Jood geen handen, organen, afmetingen, zintuigen,
     neigingen, hartstochten? Wordt hij niet gevoed met hetzelfde
     voedsel, gewond door dezelfde wapenen, bedreigd door dezelfde
     ziekten, genezen door dezelfde middelen, warm en koud gemaakt door
     denzelfden winter en zomer als een Christen? Als gij ons prikt,
     bloeden wij dan niet? Als gij ons kittelt, lachen wij dan niet? Als
     gij ons vergiftigt, sterven wij dan niet? En als gij ons
     verongelijkt, zullen we ons dan niet wreken? Als wij in al het
     andere op u gelijken, dan zullen we u ook daarin evenaren. Als een
     Jood een Christen verongelijkt, welken ootmoed betoont die dan?
     Wraak. En als een Christen een Jood verongelijkt, wat voor deemoed
     moet die dan volgens Christelijk voorbeeld betoonen? Immers wraak.
     De boosheid die ge mij leert zal ik toepassen; en er zal veel
     moeten gebeuren als ik uw lessen niet overtref.

_Een_ BEDIENDE _komt op._

BEDIENDE:
     Mijne Heeren, mijn meester Antonio is thuis, en wenscht u beiden te
     spreken.

SALARINO:
     Wij zijn links en rechts geweest on hem te zoeken.

SOLANIO:
     Daar komt er ng een van de natie; er is geen derde zoo te vinden
     of het moest zijn dat de duivel zelf Jood werd.

(SOLANIO, SALARINO _en_ BEDIENDEN _af._) TUBAL _komt op._

SHYLOCK:
     Wel, Tubal, wat voor nieuws uit Genua? Hebt ge mijn dochter
     gevonden?

TUBAL:
     Ik heb meermalen hier en daar van haar gehoord, maar ik kan haar
     niet vinden.

SHYLOCK:
     Och kom, kom, kom! En een diamant weg, die me te Frankfort twee
     duizend dukaten heeft gekost. Vr dezenvieldevloeknognooit
    oponsvolk;ikhebhetvr dezennooitzoogevoeld:--erzateen
    waardevantweeduizend dukatenin,--endannogmeerkostelijke,
    kostelijkejuweelen.--Ik woulieverdatmijndochterdoodvoormijn
    voetenlag metdejuweeleninhaarooren!Lieverdatzevoormijn
    voeten opdebaarwerdgelegd,metdedukateninhaarkist!--Geen
     nieuwsvanhen?--Daarblijfthetdusbij:--enikweetniet eens
    hoeveelerbijdatzoekenisuitgegeven:Ojou--verlies opverlies!
     Dediefwegmetzveel,enzveelomdendief tevinden,engeen
    voldoening,geenwraak;engeenonheil indeluchtofhetkomtop
    mijnschoudersneer;geenzuchten ofikslaakze:geentranenofik
    stortze.

TUBAL:
     Maaranderemenschenhebbentochookwelonheilen.
     Antonioheeft,naarikinGenuahoorde,--

SHYLOCK:
     Wat,wat,wat?Eenonheil,eenonheil?

TUBAL:
     --eengaljoendatvanTripolikwamverloren.

SHYLOCK:
     Goddank!Goddank!Ishetwaar?Ishetwaar?

TUBAL:
     Ikspraksommigenvandematrozendieaandeschipbreuk waren
    ontsnapt.

SHYLOCK:
     Danku,goedeTubal.--Goednieuws,goednieuws! ha!ha!--Waar?
    InGenua?

TUBAL:
     NaarikvernamverteerdeuwdochterteGenuain nnachttachtig
    dukaten.

SHYLOCK:
     Jestootmeeendolkinmijnlijf.Ikzalmijngoud nooitterugzien.
    Tachtigdukatenopnavond!Tachtigdukaten!

TUBAL:
     ErkwamenverscheideneschuldeischersvanAntonio metmijte
    Venetiaan,diezwerendathijgeenanderekeus heeftdanfailliet
    tegaan.

SHYLOCK:
     Daarbenikergblijom.Ikzalhethemzuurmaken, ikzalhem
    martelen;ikbenerblijom.

TUBAL:
     Eenvanhenlietmeeenringzien,dienhijvanuw dochterhad
    gekregenvooreenaap.

SHYLOCK:
     Vervloektzalzijzijn!Gemarteltme,Tubal:het wasmijnturkoois;
    ikkreeghemvanLeahtoeniknogniet getrouwdwas:ikzouhemniet
    vooreenwildernisvolapen gegevenhebben.

TUBAL:
     MaarAntonioisbepaaldgeruneerd.

SHYLOCK:
     Ja, dat is zeker, dat is vast en zeker. Ga, Tubal, huur me iemand
     van 't gerecht, bespreek hem veertien dagen vooruit; ik zal zijn
     hart hebben als hij zijn kontrakt niet nakomt; want als hij Veneti
     uit was, zou ik kunnen handel drijven zooals ik verkoos. Ga, Tubal,
     en wacht me bij onze synagoge; ga, mijn beste Tubal; bij onze
     synagoge, Tubal.

(BEIDEN _af._)




TOONEEL II.

_Belmont. Een vertrek in_ PORTIA'S _Huis._


BASSANIO, PORTIA, NERISSA _en_ GEVOLG _komen op._

PORTIA:
     Ik bid u, blijf wat; toef een dag of twee,
     Voordat ge uw kans waagt; want, indien gij faalt,
     Mis 'k uw gezelschap; wacht daarom een poos.
     Daar is iets dat mij zegt, (maar liefde is 't niet,)
     Dat 'k u niet gaarn verloor, en 't is geen haat,
     Gelijk ge weet, die mij zoo spreken doet.
     Opdat gij me echter grondig kennen moogt,
     (Al heeft een maagd geen tong dan wat zij denkt[42])
     Zou 'k willen dat gij enk'le maanden bleeft,
     Eer gij uw kans waagt, 'k Zou u kunnen leeren
     Hoe 't best te kiezen, maar 'k zou 'n meineed doen,
     En dat zal 'k nooit: het kan dus dat gij faalt;
     En als 't zoo is, dan wekt ge een zond'gen wensch,
     Dat ik een meineed deed. O, o die oogen!
     Zij hebben mij betooverd en verdeeld;
     En helft van mij is uw, en de andere uw,--
     'k Bedoel mijn eigen; maar toch zoo ook uw,--
     'k Ben gansch van u! De booze omstandighen
     Beperken de eig'naars in hun wettig recht;
     En zoo, schoon uw, niet uw.--Indien 't zoo blijkt,
     Dan zij daarvoor het lot vervloekt, niet ik.
     Ik spreek te lang; maar 'k rek daardoor den tijd
     En houd hem op en maak hem lang van duur,
     Om 't kiezen te vertragen.

BASSANIO:
     Laat mij 't doen;
     Want zooals nu leef 'k op de pijnbank slechts.

PORTIA:
     Hoe, op de pijnbank? Maar beken dan ook
     't Verraad waarmede uw liefde gaat gepaard.

BASSANIO:
     't Is 't droef verraad slechts van onzekerheid,
     Dat mij bezorgd maakt voor 't bezit van u.
     Er ware eer vriendschap tusschen sneeuw en vuur,
     Dan dat mijn liefde met verraad bestond.

PORTIA:
     Ja, maar ik vrees dat ge op de pijnbank spreekt,
     Waar men gedwongen alles zeggen kan.

BASSANIO:
     Beloof mij 't leven, 'k zeg de waarheid dan.

PORTIA:
     Welnu, beken, en leef.

BASSANIO:
     "Ik heb u lief,"
     Dt ware mijn bekent'nis gansch geweest:
     O zoete folt'ring, als mijn folteraar
     Mij tevens 't antwoord ter verlossing leert!
     Maar laat mij 't nu beproeven met de kistjes.

(_Het gordijn wordt weggeschoven._)

PORTIA:
     Ga dan. Ik ben in een er van gevat;
     Als gij mij liefhebt, vindt gij mij wel uit.--
     Nerissa, en gij allen, staat van ver.
     Muziek weerklinke er onder 't doen der keus,
     Want, als hij faalt, dan eindt hij als een zwaan,
     Verkwijnend in muziek; opdat het beeld
     Volmaakter zij:--mijn oogen zijn de stroom,
     Zijn waat'rig doodsbed. Hij kan slagen ook,
     Wat is muziek dan? Dan is ze als 't geschal
     Wanneer een trouwe menigte zich buigt
     Bij 't kronen van een vorst: zij klinkt gelijk
     Die zoete tonen bij den dageraad,
     Het oor besluipend van den bruidegom
     Die droomt, hem roepend tot zijn huw'lijksfeest;
     Nu gaat hij, mr in liefde, in moed gelijk,
     Als jonge Alcides,[43] toen hij 't zeegedrocht
     De maagd ontwrong, die door het gillend Trooi
     Als cijns betaald was,[44] ik ben 't offer nu;
     Die daar ter zijde zijn Trojaansche vrouwen,
     Met oogen dofgeweend, bijeen om 't eind
     Te aanschouwen van den strijd. Ga, Hercules!
     Leeft gij, dan leef ook ik; mijn angst is groot,
     Veel grooter nog dan de uwe in dezen nood.

_Muziek en zang, terwijl_ BASSANIO _in zichzelf over de kistjes te rade
gaat._

          _Lied._[45]

          _Eerste stem._
          Waar ontstaat der liefde schijn,
          In het hart of in het brein?
          Hoe hij verder wel gedij'?
          O antwoord mij!

          _Tweede stem._
          Voortgebracht door oogenlust,
          Voedt hem 't zien; hij wordt gebluscht
          Indewiegwaarinhijrust.[46]
          Luidenwijzijndoodsklok,kom;
          Ikbeginal,--Bim,bam,bom.

          _Koor_:
          Bim,bam,bom.

BASSANIO:
     Zooisdeschijnslechtszeldenwthijschijnt,
     Dooropschikwordtdewereldsteedsmisleid.
     In'trecht,--wateischzoovuigenzoogemeen,
     Dieniet,doormooiewoordenopgesmukt,
     Hetkwadezalomhullen?Indengodsdienst,
     Watvloekb'redwaling,ofeeneerbaarhoofd
     Rechtvaardigtenbewijsthaardooreentekst,
     Haarplompheiddekkendmeteenfraaientooi.
     Geenondeugdzooonnoozel,ofzijsiert
     Zichuiterlijkmeteenigmerkvandeugd.
     Hoemeniglafaardmeteenhartzoozwak
     Alseenpilaarvanzand,draagtaanzijnkin
     EenbaardalsHerculesengrammeMars,--
     Bijonderzoekingblijktzijnleverwit;[47]
     Hijeigentzichslechtsd'uitwasvandenmoed
     Omzichgeduchttemaken!Denkaanschoonheid,
     Enziehoedeopschikhierookwordtbejaagd,
     Diedrinwond'renwerktindenatuur,
     Door'tlichtsttemakenwieer'tmeestvandraagt;
     Zoostaatdatslangen-kroeziggoudenhaar,
     Datmetdenwindzoodartelspelemeit,
     Opeengewaandeschoonheid,[48]vaakbekend
     Alsvroeg'rebruidsgiftvaneenanderhoofd:
     Deschedeldie'tdeedgroeienligtin'tgraf.
     Daaromisdeopschikslechts'tbedrieglijkstrand
     Bijeengeweld'gezee,depracht'gedoek
     Eennegerinomhullend,inhetkort,
     Schijn-waarheid,waardelist'getijdmepronkt,
     Dewijstenlokkend.Daarom,glanziggoud,
     HardMidas-voedsel,[49]wiliknietsvanu.
     Ooknietsvanu,gijslover,bleekenmin,
     Vanhandtothandgaand:maargij,schamellood,
     Datveeleerdreigtdanietsbelovenwilt,
     Uweenvoudroertmijmeerdanschooneschijn,
     Hierkiesikdus.Enmoog'tgelukkigzijn!

PORTIA:
     Hoevliedtelkeand'rehartstochtindelucht,
     Alsangstigtwijf'len,wanhoopsnel-geducht,
     Ensidd'rendvreezenendegroenenijd!
     Oliefde,matiguwuitbundigheid,
     Gietdropsgewijsuwvreugde-stortvloedneer,
     Ikvoelteveeluwzegen,nunietmeer,
     Ikvreesdieovermaat!

BASSANIO(_hetloodenkistjeopenend._):
     Watzieikhier?
     HetbeeldvanPortia!Welkehalfgodkwam
     Haarznabij?Bewegendeoogenzich?
     Ofschijnenzeopdedeiningvanmijnblik
     Zichtebewegen?Doord'ontslotenlippen
     Gaatgeurigeadem,zoetescheidingvan
     Tweezulkezoetevrienden.Inhethaar
     Sponalseenspindeschilder'tgoudenweb,
     Eengroot'rehinderlaagvoor'tmannenhart
     Dan'tspinnenragvoormuggen;maarhareoogen!--
     Hoekonhijschild'renentochzien?Mijdunkt
     Alshijerngemaakthad,waar''tinstaat
     Detweevanhemtestelenenzichzelf
     Tescheidenvanzijnmaat.Maartoch,zals
     Mijnlofditschaduwbeeldverongelijkt
     Door'tteonderschatten,zzeersteektditbeeld
     Afbij'toorspronkelijk.--Hieris'tgeschrift,
     Datheeldesomvanmijngelukbevat.

          "Gijwienvalscheschijnmishaagt,
          Diegoedkiestenmoedigwaagt,
          Geefthetlotuwatgevraagt,
          Laternietommeergeklaagd.
          Alsgijhiertevrenmezijt,
          Enuditgelukverblijdt,
          Wendtothru,dieubeidt,
          Enkuszealsbruidvolliefd'rijkheid."

     Eenvriend'lijkvers.--Verlof,(_hijkusthaar_,)
     hierstaat geschreven
     Datnietalleen'kontving,maarookmoetgeven.
     Alseenvanbeidekampersomeenprijs,
     Diemeentdathijgestredenheeftnaareisch,
     Hetjuichenhoorendalsuitnenmond,
     Enduiz'lend,twijf'lendoov'ralstaartin'trond,
     Nietwetendofhm'tlofgegalmwelgeldt;
     Zoo,driewerfschoone,is'tookmetmijgesteld,
     'kStatwijf'lendofikwaarheidhierontmoet,
     Totgijhetstaaften'tmijerkennendoet.

PORTIA:
     Gijzietmij,HeerBassanio,waariksta,
     Zooalsikben.Schoon'kvoormijzelvealleen
     Nietinmijnwenscheerzuchtigwildezijn,
     Enmijveelbeterwenschen,'kzouvooru
     Tochhonderdmaalmijzelvewillenzijn,
     Tienduizendmaalzoorijk,enduizendmaalzooschoon.
     Omslechtsinuweschattinghoogtestaan
     Zouikonschatbaarwillenzijnindeugd,
     Inschoonheid,vriendenenfortuin.Maar'kben
     Bijeengeteldslechtsniets;datis,totaal,
     Eenmeisjezonderoef'ning,kundeenschool:
     Gelukkigiszijechternietteoud
     Omietsteleeren;nggelukk'geris't
     Datzijerniettedomvanaardvooris;
     'tGelukkigstisdathaargedweegeest
     Aand'uwenterbesturingzichvertrouwt,
     Dienvanhaarheer,haarleidsmanenhaarvorst.
     Ikbenvanugeworden,enhetmijn'
     Is'tuwethans:ikwaszooevennog
     Meest'resvanditmooilandgoed,vanmijzelf,
     Vanmijnbedienden;enterzelfdertijd
     Zijn'thuis,dedienaarsenmijneigenik
     Vanu,mijnmeester.'kGeefhenmetdeez'ring,
     Enscheidtgeervandoorschenkingofverlies,
     Danzij'tvoorspellingvanuwliefde'sdood,
     Voormijdegrondvaneengerechtverwijt.

BASSANIO:
     Mevrouw,gijhebtvanwoordenmijberoofd,
     'tBloedinmijnaad'renspreektalleentotu;
     Eneriszoo'nverwarringinmijngeest,
     Alsonder'tmurm'lendeentevredenvolk
     Zichvoordoetnaeenrede,schoonvantaal,
     Gehoudendooreenwelbemindenvorst;
     Waarelkekleinigheid,bijeengevoegd,
     Eenwildernisvanloutervreugdewordt,
     Geuit,ennietgeuit.Maaralsdering
     Mijnhandverlaat,verlaatook'tlevenmij:
     O,zegdanvrij: "Bassanioisdood."

NERISSA:
     Mijnmeesterenmeest'res,hetisnutijd,
     Datwij,diealleszagen,enwierwensch
     Metheilbekroondwerd,roepen:"Veelgeluk!"

GRATIANO:
     Mijneed'leJonkvrouw,HeerBassanio,
     'kWenschudevreugd,diegeuslechtswenschenkunt;
     Gijwenschtvanmijdevreugdenietvandaan;
     EnalsUEed'lenuwverbondvantrouw
     Opplecht'gewijsbezegelt,smeekiku
     Opdientijdookgehuwdtemogenzijn.

BASSANIO:
     Vanharte,zoogeeenvrouwslechtskrijgenkunt.

GRATIANO:
     UEed'leheeftmeereenbezorgd,hebdank.
     Mijnoogenzienzoosnelalsdeuwe,Heer:
     Demeestereszaagtgij,enikhaarmaagd;
     Gijwerdtverliefd,ikook;wantuitstelpast
     Mijevenweinig,eed'leHeer,alsu.
     Uwlothingvandegindschekistjesaf,
     Zooookhetmijne,'tkomttoevalliguit;
     Wantinhetzweetmijnsaanschijnsaanzoekdoend,
     Enliefdeseedenzwerend,totmijnkeel
     Erdroogvanwerd,kreeg'kopdenlangenduur,--
     Moog'diebelofteduurzaamzijn--vanhr

(_op_ NERISSA_wijzend_)

     Detrouwbelofte,indienuwgoedgeluk
     Haarmeestereswon.

PORTIA:
     Isdatwaar,Nerissa?

NERISSA:
     'tIswaar,Mevrouw,indienhetubehaagt.

BASSANIO:
     Engij,Gratiano,meentgeditoprecht?

GRATIANO:
     Ja,werk'lijk,eed'leHeer.

BASSANIO:
     Onshuw'lijkfeestwintdoorhetuweineer.

GRATIANO:
     Wijzullenmethemvoorduizenddukatenomden eerstenjongen
    spelen.

NERISSA:
     Omzulkeeninzet?

GRATIANO:
     Wijzettennogwelmeeromdattewinnen.--
     Maarwiezijndat?Lorenzoenzijnvrouw?
     Wat?metmijnoudenvriendSolanio?

LORENZO,JESSICA_en_ SOLANIO_komenop._

BASSANIO:
     LorenzoenSolanio,welkomhier,--
     Gesteldmijnpasverworvenstellinggeeft
     Mij'trechthiertoe.Ikheet,metuwverlof,
     Mijnvriendenenmijnlandgenootenwelkom,
     GeliefdePortia.

PORTIA:
     Ikdoe'teveneens;
     Zijzijnvanhartewelkom.

LORENZO:
     IkdankUEed'le.--Watmijzelfbetreft,
     'kWasnietvanplangeweestuhiertezien,
     MaaronderwegtrofikSolanioaan,
     Enzijnverzoek,datiknietweig'renkon,
     Brachtmijhierheen.

SOLANIO:
     Zooishet,eed'leHeer,
     En'kheberreed'nenvoor.SignorAntonio
     Doetuzijngroeten. (_Hijgeeft_ BASSANIO_eenbrief._)

BASSANIO:
     Eer'kdenbriefverbreek,
     Moetgijmijzeggenhoemijnvriendhetmaakt.

SOLANIO:
     Hijisnietziek,tenzijhij'tisvangeest;
     Ooknietgezond,tenzijvangeest:zijnbrief
     Zaluzijntoestandtoonen.(BASSANIO_leestdenbrief._)

GRATIANO:
     Nerissa,heetdievreemdedamewelkom.
     Uwhand,Solanio.Hoeis'tindestad?
     HoevaartAntonio,dekoopmansvorst?
     'kWeetdathijblijzalzijnomonsgeluk;
     WijzijndeJasons,[50] wonnen'tguldenvlies.

SOLANIO:
     Hadtgijhetvliesslechtsdathemisontgaan.

PORTIA:
     Diebriefmoetsmartelijkvaninhoudzijn
     WijlhijdekleursteeltvanBassanio'swang:
     Eendierb'revrienddood,watkonandersz
     Denkalmenaardvaneenbezadigdman
     Verand'rendoen?Hoe,erger,ergernog?--
     Verlof,Bassanio:ikbenhalfvanu,
     Enduskomtmijdehelftvanallestoe
     Watdezebriefubrengt.

BASSANIO:
     OzoetePortia,
     'tZijnenk'lewoorden,zonaangenaam,
     Alszeooitpapierbevlekten!Schoonevrouw,
     Toenikvoor'teerstuvanmijnliefdesprak,
     Zei'kuvrijmoedig,datmijnganschbezit
     Meindeaad'renstroomde,--'kwaseenmanvaneer:
     En'ksprakdewaarheid:maartochzultgezien
     Hoezeer'k,bij'tschattenvanmijzelfopniets,
     Eensnoeverwas,mijnlieve.Toen'kuzei
     Dat_niets_ mijndeelwas,hadikmoetenzeggen
     Datminder'khaddanniets;wantweet,datik
     Mijhebverplichtaaneengeliefdenvriend,
     Hemaanzijnergstenvijandhebverplicht
     Ommijdebeurstevullen.Ziedienbrief;
     'tPapierisalshetlichaamvanmijnvriend,
     Eniederwoorddaaropeenopenwond
     Zijnlevensbloedvergietend.--Maar,Solanio,
     Zijnalzijnkansenweg?Gnschipterecht?
     UitTripoli,vanMexicoenEng'land,
     UitIndi,BarbarijenLissabon,--
     Ontkwamergeendenvreeselijkenschok
     Vanklippen,koopman-moordend?

SOLANIO:
     Neen,nietn,
     Enbovendien,alhadhij'tgeldgereed
     TerafbetalingaandenJood,hijzou
     'tNietnemen,naarhetschijnt.Ikzagnognooit
     Eenwezenmeteenmenschenuiterlijk,
     Ztukenhappigopeensmenschenval:
     HijlooptbijdagennachtdenDogena,
     Enhijbetichtdevrijheidvandenstaat,
     Indienmenhemgeenrechtdoet:twintigkooplui,
     DeDogezelf,endemagnifico's[51]
     Die'tmeestvermogen,dedenalhunbest,
     Maargeenweerhoudthemvandenboozeneisch
     Vanhetverbeurde,'trechtenhetkontrakt.

JESSICA:
     Toen'knogbijhemwas,hoordeikhoehijzwoer
     AanChusenTubal,mannenvanzijnras,
     DathijAntonio'svleeschveeleerverkoos
     Dantwintigmaaldewaardevandesom
     Diehijhemschuldigwas;en'kweeterbij,
     Dat,weig'renwet,gezagenmachthetniet,
     Hetslechtdangaatmetd'armeAntonio.

PORTIA:
     Isdebedreigdeudanzoo'nwaardevriend?

BASSANIO:
     Mijnwaardstevriend,devriendelijksteman,
     Debestgeaardeenonvermoeidstegeest
     In'thulpverleenen;iemandinwiendeeer
     VaneenaloudRomeinzichmeervertoont,
     DanwiemaarinItalilevenheeft.

PORTIA:
     WatishijschuldigaandenJood?

BASSANIO:
     Voormijdrieduizenddukaten.

PORTIA:
     Wat,nietmeer?
     Geefhemzesduizend,enverscheur'tkontrakt;
     Verdubbeldie,doeer'tvierdubb'lebij,
     Voordateenvriendzooalshijhembeschrijft
     EenhaarverliezedoorBassanio'sschuld.
     Gaeerstmetmijterkerk,ennoemmeuwvrouw,
     EndaaropnaarVenetinaaruwvriend;
     Wantnimmerzultgeuvlij'naanPortia'szij
     Meteenontrusteziel.Ikgeefugoud
     Voortwintigmalendezeniet'geschuld;
     Iszijbetaald,brengdanuwhartsvriendhier,
     IkenNerissazullenmidd'lerwijl
     Alsweduwenenmaagdenleven.Vlug,
     Wantgijmoetopuwhuw'lijksdagterug:
     Groetuwevrienden:tooneenblijgelaat:
     Zooduurgekocht,stel'kuopdurenprijs.
     Maarleesmijthansdenbriefvoorvanuwvriend.

BASSANIO(_leest_):
     "BesteBassanio,mijnschepenzijnalle vergaan,mijnschuldeischers
    wordenwreed,mijngeldelijke toestandiszeergedrukt,devervaldag
    vanmijnkontraktmet denJoodisvoorbij,endaarik,indienikhet
    nakom,nietkan blijvenleven,zijnalleschuldentusschenuenmij
    afgedaan, alsikuslechtsbijmijndoodmagzien.Maardoe,
    niettegenstaande ditalles,zooals'tubehaagt:alsuwgenegenheid
    u nietdrijfttekomen,laatmijnbriefdatdanooknietdoen."

PORTIA:
     Mijnlief,laatallesachterwege,enga.

BASSANIO:
     Daaruwemildheidmijditnietbelet
     Zoohaastikmij;maarvoorikweerverschijn,
     Leg'knimmermijteslapenopeenbed,
     Geenrustzalaanmijntalmenschuldigzijn.(_Allenaf._)




TOONEELIII.

_Veneti.EenStraat._


SHYLOCK,SALARINO,ANTONIO_eneen_ CIPIER_komenop._

SHYLOCK:
     Houdhemin'toog,cipier:spreekmijnietvangenade.--
     Ditisdedwaasdiegratisgeldteleengaf.--
     Houdhemin'toog.

ANTONIO:
     Hoormeaan,mijngoedeShylock.

SHYLOCK:
     'kWilmijnkontrakt;raaknietaanmijnkontrakt;
     'kZwoermijtezullenhoudenaan'tkontrakt:
     Gijhebtmeeerstzonderreden"hond"genoemd;
     Maarnuikereenben,pasopmijnmuil;
     DeDogezalmijrechtdoen.--'kBenverbaasd,
     Datgijzoodwaaszijt,schelmvaneencipier,
     Ommethemuittegaanopzijnverzoek.

ANTONIO:
     Ikbidu,hoormijaan.

SHYLOCK:
     Ikhoudmeaanmijnkontrakt;ikluisterniet:
     Ikhoudmeaanmijnkontrakt,dusspreeknietmeer.
     Ikbengeenzachteenhuilerigesul,
     Dieschuddeboltentoegeeft,zuchtenbuigt
     VoorChristelijkemidd'laars.Volgmijniet,
     Geenwoordmeer,'kwilmijhoudenaan'tkontrakt.(_Af._)

SALARINO:
     Ditisweldeonverbiddelijkstehond,
     Dieooitmetmenschenleefde.

ANTONIO:
     Laathemgaan;
     'kLoophemnietmeermetvrucht'loossmeekenna.
     Hijwilmijnleven;'kweetzijnreed'nengoed;
     'kHebmenigeendiebijmijklagenkwam
     Verlostvandeaanspraakdiehijophenhad;
     Vandaarzijnhaat.

SALARINO:
     DeDogezalgewis
     Dezeaanspraaknimmergeldiglatenzijn.

ANTONIO:
     DeDogekandenloopvan'trechtnietstuiten,
     Wantalshetvoorrecht,datdevreemd'lingheeft
     HierinVeneti,wordtgestuit,danzal
     'tVerwijtvanonrechtwegenopdenstaat,
     Omdatdehandelendewinstderstad
     Doorallevolkenwordtbewerkt.Dus,ga.
     Ditleedennadeelpaktenmijzaan,
     Dat'kmorgennauwelijkseenpondjevleesch
     Kanafstaanvoormijnwreedencrediteur.
     Vooruit,cipier.--Godgeve,datBassanio
     Zijnschuldkomtzienvoldoen,danis'tmijwel!

(_Allenaf._)




TOONEELIV.

_Belmont.Eenkamerin_ PORTIA'S_Huis._


PORTIA,NERISSA,LORENZO,JESSICA_en_ BALTHAZAR _komenop._

LORENZO:
     Mevrouw,alzegik'tuinuwgelaat,
     Gijhebteenedeleneenwaarbegrip
     Dergoddelijkevriendschap;gijverdraagt
     Daarvoordeafwezigheidvanuwgemaal.
     Maar,alsgijwistwiengijdezeeerbewijst,
     Aanwelkeenwaardigmangijuitkomstzendt,
     Hoehijverknochtisaanuwheergemaal,
     Gijzoudt,datweetik,trotscherhieropzijn,
     Danuwmilddadigheidumakenmoet.

PORTIA:
     'kHebnooitberouwgehadvanweltedoen;
     Datzal'kooknuniet;wantgenooten,die
     Dentijdtezamenslijteninverkeer,
     Wierzielhetzelfdejukvanliefdetorst,
     Pastooknoodzaak'lijkeengelijkemaat
     Vantrekkenenvanzedenengemoed;
     DitdoetmijdenkendatAntonio,
     Alsboezemvriendvanmijngemaal,aanhem
     Gelijkmoetzijn.Alsditzoois,hoeklein
     Zijndandekostendieikhebbesteed
     Omhemdie'tevenbeeldisvanmijnziel[52]
     Tekoopenuitdehelschemarteling!
     Maarditkomteigenlofspraaktenabij;
     Hierdusnietmeervan:hoortietsandersnu.
     Lorenzo,ikvertrouwaanuwehand
     Deleidingen'tbeheerenvanmijnhuis
     Totmijngemaalterugkomt.Ikvoormij,
     IkhebdenHemelheimelijkbeloofd
     In stil gepeins te leven en gebed,
     Alleen van mijn Nerissa vergezeld,
     Tot onze gaden zijn teruggekeerd.
     Er ligt een klooster twee mijl hier van daan,
     En daar zal 'k toeven. Ik verzoek u zeer,
     Dat gij den last niet van u schuiven zult
     Dien mijne vriendschap en de omstandighen
     Nu op u leggen.

LORENZO:
     Met geheel mijn hart
     Voldoe ik aan uw vriendelijk bevel.

PORTIA:
     Mijn menschen weten allen van mijn plan,
     En zullen u en Jessica erkennen
     In plaats van Lord Bassanio en mij.
     Vaartwel dus, tot we elkander wederzien.

LORENZO:
     Geluk zij met u, waar gij staat of gaat!

JESSICA:
     Ik wensch UEed'le alles, alles goeds.

PORTIA:
     Dank voor uw wensch, van mijn kant breng 'k ook u
     Mijn besten wensch: vaarwel thans, Jessica.

(JESSICA _en_ LORENZO _af._)

     Nu, Balthazar,
     Daar ik u trouw en eerlijk steeds bevond,
     Laat dit ook nu zoo zijn. Neem dezen brief,
     En snel naar Padua met al de macht
     Die in een man is: zorg dat gij hem legt
     In handen van mijn neef, doctor Bellario;
     En wat hij u aan dokumenten geeft
     En kleed'ren, breng met allen denkb'ren spoed,
     Hen bid ik u, naar het gewone veer
     Dat op Veneti vaart. Verlies geen tijd,
     Maar haast u wat: ik zal er vr u zijn.

BALTHAZAR.
     Mevrouw, 'k zal gaan met den vereischten spoed. (_Af._)

PORTIA:
     Komaan,Nerissa:'khebeenplanbedacht,
     Datgijnietkent.Wijziendemannenweer.
     Eerzeaanonsdenken.

NERISSA:
     Zullenzijnszien?

PORTIA:
     Datzullenzij,maardaninzulkeendracht
     Datzijonszullenwanenin'tbezit
     Van'tgeenwijmissen.'kWedomwatgewilt,
     Dat,zijnwealsjongemannenuitgedost,
     Ikvanonsbedeknapstekerelben,
     Mijndegenmetbevall'gerkloekheiddraag,
     Spreekalsbijd'overgangvanknaaptotman,
     Metrietpijp-stem,tweekortepasjesmaak
     Totmannelijkgestap,vanvechtenspreek
     Zooalseenzwetsendheertje,enlistiglieg,
     Hoehoogedamesdongennaarmijngunst,
     (Enik,dieweig'rend,kniesdenzijzichdood,
     Ikkonernietsaandoen)--dankrijg'kberouw,
     En'kwenschdatikhennietzoohadgedood.
     Entwintigflauweleugensdischikop,
     Zoodatdemannenzwerendatikruim
     Eenjaarvanschoolafben.'kHerinnermij
     Welduizendjongensstrekenvandiepochers,
     En'kpaszetoe.

NERISSA:
     Wat?Gaanwealsmannendoen?

PORTIA:
     Foei,wateenvraagisdat,
     Alsmendaareenseenschuinenzinaangaf!
     Maarkom;'kvertelumijngeheeleplan,
     Als'kinmijnrijtuigben,dataandepoort
     Van'tparkonswacht;dusnunietmeergevraag,
     Wanttwintigmijlenstaanervoorvandaag.(BEIDEN_af._)




TOONEELV.

_Belmont.EenTuin._


LANCELOT_en_ JESSICA_komenop._

LANCELOT:
     Jazeker;want,zieeenshier,dezondenvandenvaderzullen
     bezochtwordenaandekinderen;daarombenikvoorubezorgd dat
    beloofiku.Ikbenaltijdopentegenugeweest,endaarom zegik
    numijndiner[53]overdezaak:leeferdusmaarvroolijk oplos,
    want,waarachtig,ikgeloofdatuverdoemdis.Met datalisertoch
    maarnhoopdieu'nbeetjegoedkandoen, endatistochookmaar
    eensoortbastaard-hoop.

JESSICA:
     Enwatisdatdanvooreenhoop,ikbidje?

LANCELOT:
     Watdrommekater,datiseenkleinhoopjedatuwvaderu nietinde
    wereldheeftgebracht,datudedochtervanden Joodnietis.

JESSICA:
     Ja,datzoumetrechteensoortbastaard-hoopzijn:danzouden de
    zondenvanmijnmoederaanmijbezochtworden.

LANCELOT:
     Neenmaar,danvreesikdatunetzoogoedvanvaders-als van
    moederskantverdoemdis:zoodoendevervalik,alsik Scylla,uw
    vader,vermijd,inCharybdis,uwmoeder;[54]nu, opallebeide
    manierenis'tmetugedaan.

JESSICA:
     Ikzalgeredwordendoormijnman;hijheefteenChristin vanmij
    gemaakt.

LANCELOT:
     Ozeker,maardestemeervalthemteverwijten:erwaren vroegeral
    Christenengenoeg;genoegomde-n-eenmetdenander behoorlijkte
    kunnenleven.MaarzulkChristenen-makenzalde varkensprijzenin
    dehoogtejagen!Alsweallemaalvarkensvleesch-eters worden,zullen
    wealheelgauwvoorgeengeld meereen reepspekop'tvuurkunnen
    krijgen.

JESSICA:
     Ikzalmijnmanvertellenwatjezegt,Lancelot;daarkomt hijaan.

LORENZO_komtop._
     Ikzalbinnenkortjaloerschopjeworden,Lancelot,alsje mijn
    vrouwzooindehoekjestrekt.

JESSICA:
     Neen,jebehoeftnietbangtezijnvoorons,Lorenzo.Lancelot en
    ikliggenmetelkaaroverhoop.Hijverteltmeplatwegdat ervoor
    mijgeengenadeindenhemelis,omdatikdedochter benvaneen
    Jood,enhijzegtookdatgijgeengoedlidvande maatschappij
    zijt,wantdoorJodentotChristenentebekeeren, verhoogtgeden
    prijsvan'tvarkensvleesch.

LORENZO:
     Ikzaldatbeterverantwoordenvoordemaatschappij,dan jijdatde
    verhoogingvandiennegerinnebuikkuntdoen:het zwartjemoeteen
    kindvanjekrijgen,Lancelot.

LANCELOT:
     Hetzouwelwatkraswezen,alszoo'nnegerdeernmeveel konderen,
    enalszeminderwasdaneeneerlijkevrouw,dan hebikmeervan
     haargemaaktdoormijnbezoek.

LORENZO:
     Elkedwaaskantochmaarwoordspelingenmaken!Ikgeloof dat
    binnenkortdebesteaanbevelingvoorgeestigheidhet zwijgenzal
    zijn,endatsprekenalleeninpapegaaienzalgeprezen worden.--Ga
    naarbinnen,sinjeur:zegdatzezich klaarmakenvoor'teten.

LANCELOT:
     Datisalgebeurd,Meneer;zehebbenallemaalmagen.

LORENZO:
     GoeieGenade,watbenjijeenuientapper!Zegdandatze't eten
    klaarzetten.

LANCELOT:
     Datisookgebeurd,Meneer;alleen,hetwoordis"dekken."

LORENZO:
     Wiljijdandekken,Meneer?

LANCELOT:
     Onee,Meneer,volstrektniet;daarbenikveeltenetjesvoor.

LORENZO:
     Nogalmeerwoordverdraaienvoordegelegenheid?Wilje opn
    oogenblikdenganschenschatvanjegeestigheidlaten zien?Begrijp
    asjebliefteeneenvoudigmaninzijneenvoudige bedoeling:ganaar
    jekornuiten,zegdatzedetafeldekken, hetetenbrengen,endan
    zullenwekomendineeren.

LANCELOT:
     Detafel,Meneer,zalgebrachtworden,hetvleeschzalgedekt
     worden,enwatuwkomendineerenbetreft,Meneer,nu,laat datzijn
    zooalslustenluimdatzullengelasten.(_Af._)

LORENZO:
     Owelkeenschranderheidendrachtvantaal!
     Eenlegergeest'gewoordenheeftdedwaas
     Zichinhethoofdgeplant!enmenigdwaas
     Kenik,vanhoog'renrangenzooalshij
     Vangeestvoorzien,dieaaneensnedigwoord
     Dezaaktenofferbrengt.KomJessica,
     Zeggijuwmeeningnueens,lieveling,
     Wel,hoebevaltuLordBassanio'svrouw?

JESSICA:
     Meerdanikzeggenkan.Hetiswelzaak,
     Dathijeenonbesprokenlevenleidt,
     Want,zgezegendmetzijnechtgenoot,
     Vindthijdehemelvreugdehieropaard,
     Enalshijopdezeaardnietmatigis,
     Danwachthemzekernooithethemelrijk.[55]
     Indientweehemelgoninweddenschap
     Tweeaardschevrouwenlegdenopeenschaal,
     EnPortiawasern,danmoestnogiets
     Bij de and're, want deze onvolmaakte wereld
     Bezit haar weerga niet.

LORENZO:
     Juist zulk een man
     Als zij een vrouw is, hebt gij nu in mij.

JESSICA:
     Welnu, vraag ook mjn meening daaromtrent.

LORENZO:
     Aanstonds; maar laat ons eerst aan tafel gaan.

JESSICA:
     Neen, laat me u prijzen, nu 'k er trek in heb.

LORENZO:
     Bewaar het, bid ik u, als tafelkout;
     Hoe gij ook spreekt, 'k verteer 't dan met de rest.

JESSICA:
     Welnu, dan zal ik zeggen wat ge zijt. (_Beiden af._)




VIERDE BEDRIJF

TOONEELI.

_Veneti.EenGerechtshof._


DEDOGE,DEMAGNIFICO'S,ANTONIO,BASSANIO, GRATIANO,SALARINO,
SOLANIO,_enAnderen._

DOGE:
     Nu,isAntoniohier?

ANTONIO:
     'kWachtUwGenade'swenk.

DOGE:
     Hetspijtmeomu:gijhebteentegenstander
     Zoohardalssteen,eenwreede'ellendeling,
     Onmedelijdend,ganschverstokenvan
     Elkgreinbarmhartigheid.

ANTONIO:
     Ikhebgehoord
     DatUwGenademoeitedeedomhem
     Temaat'geninzijnwreedeneisch,maarnuhij
     Hardnekkigvolhoudt,engeenmachtvanwet
     Mijaanzijnhaatontrukt,beantwoordik
     Zijnwoedemetgeduld,en'kwapenmij
     Ommeteenkalmgemoedzijntirannie
     Enongetemdegramschapteondergaan.

DOGE:
     RoepeenvanallenthansdenJoodvoorons.

SOLANIO:
     Hijwachtreedsbijdedeur.Daarkomthijaan.

SHYLOCK_komtop._

DOGE:
     Maaktplaats,hijkomevooronsaangezicht.--
     Shylock,dewerelddenkt,enikmethaar,
     Datgijslechtsditvertoonvanboosheidvoert
     Totditlaatsteoogenblik;endanzultgij,
     Zoodenktmen,melijtoonenenberouw,
     Nogvreemderdanuwvreemdeschijnb'rewreedheid:
     Endat,terwijlgenu'tverbeurdevergt,
     ('tPondvleeschvandezenarmenkoopmanhier,)
     Gijnietalleenhemvandeboeteontheft,
     Maarook,bezielddoorliefdeenmensch'lijkheid
     Hemnogeengoeddeelschenktvan'tkapitaal,
     Uwoogvoldeernisslaandopzijnverlies,
     Datkortgelenzichstapeldeopzijnrug,
     Endezenvorstderkooplinvallendeed,
     Zoodatzijntoestandmedelijdenvond
     Bijkoop'renboezems,hartenruwalsstaal,
     BijstuggeTurkenenTartaren,nooit
     Metteedervriend'lijkheidsbetoonvertrouwd.
     Wijwachteneenzachtzinnigantwoord,Jood.

SHYLOCK:
     'kLietuwGenadewetenwatikwensch;
     Enbijmijnheil'genSabbathzwoer'kerop
     Tehebbenwatmijtoekomtbijkontrakt:
     Enweigertgij,dankoom'tgevaarterneer
     Opprivilegeenvrijheidvanuwstad.
     Waarom'keenpondjevandatminnevleesch
     Veeleerverkiezenwildandrieduizend
     Dukaten?Weldaarantwoordiknietop:
     Maar,stel,'tiszoomijnluim:isdtgeenantwoord?
     Hoe,alsmijnhuisgeplaagdwordtdooreenrat,
     En'ktienduizenddukatengevenwil
     Om'tbeestteloozen?Lijktditantwoordu?
     Deeenkan'tnietuitstaanalseenvarkenschreeuwt,
     Eenanderweerwordtdol,ziethijeenkat,
     Eenderdehoudtzijnwaterniet,wanneer
     Dezakpijpdoordenneuszingt:iedersaard,
     Demeestervanzijnneiging,drijfthemtot
     Destemmingenvanwathemlustofwalgt.
     Zooalsernugeenzeek'reredenis,
     Waaromeenschreeuwendvarkend'eenmishaagt,
     D'and're'eenonschaad'lijkhuisdieralsdekat,
     Eenderdeeenwollendoedelzak,[56]zoodat
     Hijdeonvermijdb'reschaamtelijdenmoet
     Omlasttegevendaarhijdienookkrijgt;
     Zookanenwilookikgeenredengeven.
     'tIsslechtseendiepehaat,eenzeek'rewalg
     DatikAntoniodusvervolgmetwat
     Voormijverliesis.Lijktditantwoordu?

BASSANIO:
     Datisgeenantwoord,ongevoeligmensch,
     Terverontschuld'gingvanuwwreedgedrag.

SHYLOCK:
     Onnoodigdatmijnantwoordubehaagt.

BASSANIO:
     Doodtiederdanhetgeenhijnietbemint?

SHYLOCK:
     Haatiemandietsdathijnietdoodenwil?

BASSANIO:
     Elkeafkeerisnietdadelijkeenhaat.

SHYLOCK:
     Wat,woudtgedateenslangutweemaalbeet?

ANTONIO:
     Bedenktoch,datgijmetdenJoodkrakeelt:
     Wantevengoedkuntgeophetstrandgaanstaan,
     Enzeggentotdenvloed:"Wasnunietmeer;"
     Enevengoedkrakeeltgemetdenwolf
     Waaromhijdeooilietblatenomhetlam;
     Enevengoedverbiedtgij'tberggeboomt'
     Zijnhoogekruinteschudden,geengedruisch
     Temakenalsdehemelvlaag'tdoorvaart;
     Ja,evengoedkuntgijhetzwaarstedoen,
     AlstrachtenzijnJoodschhart(iserietsharders?)
     Gedweetemaken.--Daarom,'ksmeekhetu,
     Biednietsmeeraan,gebruikgeenmidd'lenmeer,
     Maarlaatikkortenbondig,zooalspast,
     Mijnvonnishebben,endeJoodzijnwensch.

BASSANIO:
     Vooruwdrieduizendbiedikuerzes.

SHYLOCK:
     Alsvanzesduizendiederedukaat
     Inzessenging,enelkdeeleendukaat,
     Iknamzeniet,--ikwenschtemijnkontrakt.

DOGE:
     Hoezultgijmelijhopen,die'tnietkent?[57]

SHYLOCK:
     Welkoordeelmoetikvreezen?'kDoegeenkwaad.
     Gijallenhebtuslavenaangeschaft,
     Diealsuwezels,muildierenenhonden
     Verachtelijkeenslaafschedienstendoen,
     Wijlgijhenkocht:--Enzegiknutotu:
     "Laatvrijhen,huw'lijkhenuwervenuit;
     Watzweetenzeonderlasten?laathunbed
     Zoozachtals'tuwezijn,enstreelhuntong
     Metevenlekk'respijs,"danantwoordtgij:
     "'tZijnonzeslaven,"--zooantwoordiku:
     "'tPondvleeschdatikhiereischisduurgekocht,
     Hetismijneigendom,en'kvraaghetdus."
     Alsgij'tmijweigert,schandeopuwewet!
     DanheeftVeneti'sbesluitgeenkracht,
     'kStavoormijnrechthier;antwoord,krijgikhet?

DOGE:
     Ikhebdemachtdithoftelatengaan,
     TenzijBellario,eengeleerdedoctor,
     Naarwienikombeslissinghierinzond,
     Hierhedenkomt.

SOLANIO:
     UwHoogheid,buitenstaat
     Eenbode,diezoojuistuitPaduakwam
     Metbrievenvandendoctor.

DOGE:
     Brengonsdebrieven.Roepdenbodehier.

BASSANIO:
     Houdmoed,Antonio!Kom,man,wanhoopniet!
     DeJoodkrijgt_mijn_ vleesch,beend'ren,bloed,enal
     Eergijvoor_mij_ ndruppelbloedverliest.

ANTONIO:
     'kBenuitdekuddehetgemerkteschaap,
     Voor'tslachten'tmeestgeschikt;dezwakstesoort
     Vanvruchtenvaltheteerstomlaag,zooik.
     Gijdoet,Bassanio,mijgeenbeet'rendienst
     Dandatgijvoortleeftenmijngrafschriftschrijft.

NERISSA_komtop,alseenadvokatenklerkgekleed._

DOGE:
     KomtgijvanPadua,vanBellario?

NERISSA:
     Vanbeide,Hoogheid:'kbrengBellario'sgroet.

(_Zijreikthemeenbriefover._)

BASSANIO:
     Waaromzetgijuwmeszooijv'rigaan?

SHYLOCK:
     'kWiluitdienbankroetier'tverbeurdesnijden.

GRATIANO:
     Nietopuwzool,maaropuwzielwetgij,
     Hardvocht'geJood,uwmes;maargeenmetaal,
     Neen,zelfshetbeulszwaardniet,ishalfzooscherp
     Als'tvlijmenvanuwhaat.Roertugeenbe?

SHYLOCK:
     Geen,die_uw_ zwakverstandbedenkenkan.

GRATIANO:
     O,weesverdoemd,gijonvermurwb'rehond!
     En'trechtzijaangeklaagdomdatgijleeft.
     Gijdoetmijbijnawank'lenin'tgeloof,
     OmmetPythagorashetnstezijn,
     Datdierenzielensluipeninhetlijf
     Vanmenschen:uwehondschezielgebood
     Eenwolf,gehangenwegensmenschenmoord;
     Enaandegalgontvloodzijnfelleziel,
     Dieinudrongterwijlgijindenschoot
     Vanuwonheil'gemorlaagt;wantuwaard
     Isbloedig,hong'rig,wreed,alsvaneenwolf.

SHYLOCK:
     Tenzijge'tzegelwegschimptvan'tcontract,
     Vermoeitgeuwlongenslechtsdoorzulkgeschreeuw.
     Lapuwverstandwatop,jongmensch,of'tgaat
     Totaalverloren.--'kStahiervoormijnrecht.

DOGE:
     DitschrijvenvanBellariobeveelt
     Eenjongenkundigdoctoraanbij'thof:--
     Waarishij?

NERISSA:
     Wachtendhiervlakbij,hijwil
     Gaarnwetenofhijtoegelatenwordt.

DOGE:
     Vanganscherharte:--gaatnu,drieofvier;
     Geefthoffelijkgeleidehemhierheen,--
     Intusschenhoore'thofBellario'sbrief.

     (_Eenklerkleest._) "UweHoogheidmoetweten,datik,bij het
    ontvangenvanuwenbrief,zeerziekben:maarophet oogenblikdat
    uwebodekwam,waseendoctoruitRomebij mijopvriendschappelijk
    bezoek;zijnnaamisBalthazar. Ikmaaktehembekendmethet
     twistgedingtusschendenJood endenkoopmanAntonio:wijsloegen
    samenveleboekenop; hijdraagtkennisvanmijnemeening,welke,
     versterkt doorzijneigenegeleerdheid(vanwelkeikdenomvang
     niet genoegkanroemen,)methemmedekomt,opmijndringend
     verzoek,omdebedevanUwHoogheidinmijneplaatste vervullen.
    Iksmeeku,laatzijngemisaanjarengeenbeletsel zijnonhemeen
    eervollehoogachtingtelatenmissen,[58] wantikhebnooitzulk
     eenjonglichaammetzulkeenoud hoofdgezien.Ikbeveelhemin
    uwegenadigeontvangstaan; dekennismakingmethemzalzijn
    lofwaardigheidnogbeter doenblijken."

DOGE:
     GijhoortnuwatBellarioonsschrijft:
     Enikgeloofdatdaardedoctoris.

PORTIA_komtop,gekleedalsdoctorindeRechten._

     Geefmijuwhand.ZendtuBellario?

PORTIA:
     Zooishet,Hoogheid.

DOGE:
     Welkom:neemuwplaats.
     Zijtgijvanhetgeschilpuntonderricht
     Dathedeninhethofaanhangigis?

PORTIA:
     Ikbenterdegemetdezaakbekend.
     Wieisdekoopmanhier,enwiedeJood?

DOGE:
     AntonioenShylockkomenvoor!

PORTIA:
     IsuwnaamShylock?

SHYLOCK:
     Shylockismijnnaam.

PORTIA:
     Dezaakdiegijbepleitisvreemdvanaard;
     Maartochz geldig,datVeneti'swet
     Uinuwhand'lingnietkantegengaan.
     Udreigtgevaarvanhem,isdatzooniet?(_Tot_ ANTONIO)

ANTONIO:
     Ja, naar hij zegt.

PORTIA:
     Erkentgijhetkontrakt?

ANTONIO:
     Gewis.

PORTIA:
     DanmoetdeJoodbarmhartigzijn.

SHYLOCK:
     Doorwelkenoodzaak_moet_ ik?Zegmedat.

PORTIA:
     Hetwezendergenadeduldtgeendwang;
     Zij drupt als zachte regen van omhoog
     Op wat omlaag is: dubbel zegent zij;
     Zij zegent wie haar geeft als wie haar krijgt;
     Ze is 't machtigst in de machtigen; zij staat
     Den hoogen heerscher beter dan zijn kroon:
     De schepter toont zijn wereldlijk gezag,
     Het teeken van de tucht en majesteit,
     Waarin de vrees en schroom voor vorsten troont;
     Maar de genade is meer dan schepter-macht,
     Zij is gezeteld in der vorsten hart,
     Zij is een zinnebeeld der Godheid zelf,
     En aardsch gezag lijkt dn 't meest dat van God,
     Als door genade 't recht getemperd wordt.
     Schoon gij dus 't recht bepleit, Jood, denk aan dit,
     Dat, als het recht zijn loop heeft, gn van ons
     Behouden wordt: wij bidden om gena;
     En dt gebed leert allen ons te doen
     De werken der gena. 'k Heb dit gezegd
     Om 't recht van uwen eisch te temperen,--
     Want staat ge er op, dan moet Veneti's hof
     Strikt eerlijk tegen hem een uitspraak doen.

SHYLOCK:
     Mijn daden op mijn hoofd! Ik eisch de wet,
     De boete die verbeurd is door 't kontrakt.

PORTIA:
     Is het niet moog'lijk dat hij 't geld betaalt?

BASSANIO:
     Ja, hierbij bied ik 't voor hem aan in 't hof;
     Het dubb'le zelfs: en is dit niet genoeg,
     Verbind ik mij tot tienmaal deze som,
     Op boete van mijn handen, hoofd en hart:
     Als dit hem niet voldoet, dan is het klaar,
     Dat boosheid deugd vertrapt. En 'k smeek hirom:
     Dwing nu voor ns de wet naar w gezag:
     Doe 't weinigje onrecht om het groote recht,
     En knot deez' wreeden duivel in zijn wil.

PORTIA:
     Onmoog'lijk, in Veneti is geene macht,
     Die de ns gestelde wet verand'ren kan:
     't Werd later licht als voorbeeld aangehaald,
     En meen'ge dwaling zou door zulk een daad
     Een inval in den staat doen; 't kn niet zijn.

SHYLOCK:
     Een Danil op den rechterstoel! Een Danil!
     O, hoe vereer 'k u, wijze jonge rechter!

PORTIA:
     Ik bid u, laat mij het kontrakt eens zien.

SHYLOCK:
     Hier is het, hoogvereerde doctor, hier.

PORTIA:
     Shylock, men biedt u driemaal zooveel geld.

SHYLOCK:
     Mijn eed, mijn eed, de Hemel kent mijn eed:
     Zal ik een meineed leggen op mijn ziel?
     Voor heel Veneti niet.

PORTIA:
     Ja, bindend is 't,
     En volgens recht is het den Jood vergund
     Een pond vleesch uit te snijden vlak bij 't hart
     Van dezen koopman.--Toon barmhartigheid;
     Neem driemaal 't geld; verscheur 't kontrakt met mij.

SHYLOCK:
     Wanneer het volgens inhoud is betaald.
     Het schijnt dat gij een waardig rechter zijt;
     Gij kent de wet, gij hebt haar uitgelegd
     Zooals 't behoort: ik eisch dus bij de wet,
     Waarvan gij een verdienst'lijk schrager zijt,
     Dat gij een uitspraak doet. 'k Zweer bij mijn ziel,
     Dat er geen macht is in der menschen tong
     Die mij doet wank'len. 'k Houd mij aan 't kontrakt.

ANTONIO:
     Ik smeek van ganscher harte dat het hof
     Een uitspraak geve.

PORTIA:
     Nu, 't is z gesteld:
     Gij moet uw borst ontblooten voor zijn mes.

SHYLOCK:
     O, eed'le rechter! Brave jonge man!

PORTIA:
     Want de bedoeling en de zin der wet
     Stemt met de boete gansch'lijk overeen
     Die hier verschuldigd staat op het kontrakt.

SHYLOCK:
     Zeer waar, O rechter, ongeveinsd en wijs!
     Hoe veel, veel ouder zijt gij dan ge schijnt!

PORTIA:
     Ontbloot uw boezem dus.

SHYLOCK:
     Ja, ja, zijn borst;
     't Staat in 't kontrakt;--niet, eed'le rechter, niet?--
     Het dichtst bij 't hart: dat staat er letterlijk.

PORTIA:
     Zoo is 't. Is hier een weegschaal bij de hand
     Om 't vleesch te wegen?

SHYLOCK:
     'k Heb er een gereed.

PORTIA:
     Zorg op uw kosten, Shylock, voor een arts,
     Die hem de wond stelpt, anders bloedt hij dood.

SHYLOCK: Staat die bepaling ook in het kontrakt?

PORTIA:
     Neen, niet uitdrukk'lijk; maar wat hindert dat?
     Gij moest het toch uit menschenliefde doen.

SHYLOCK:
     Ik kan 't niet vinden; 't is niet in 't kontrakt.

PORTIA:
     Hebt gij nog iets te zeggen, koopman, spreek.

ANTONIO:
     Niet veel; ik ben gewapend en bereid.--
     Geef mij uw hand, Bassanio, vaarwel.
     Treur niet dat mij dit treft om uwentwil;
     Want hierbij toont Fortuin zich meer bevriend
     Dan zij gewoon is: altijd laat ze toch
     Ellendigen hun rijkdom overleven,
     Om met gerimpeld voorhoofd en hol oog
     Een ouden dag vol armoe aan te zien!
     Maar van het sleepend kwellen die deez' ramp
     Met zich te voeren pleegt, ontheft ze mij.
     Breng aan uw achtenswaard'ge vrouw mijn groet;
     Vertel haar hoe Antonio sterven moest;
     Zeg hoe 'k u liefhad; prijs mijn gang ten dood;
     En als 't verhaal gedaan is, oordeel' ze of
     Bassanio niet eenmaal werd geliefd.
     Heb geen berouw dat gij uw vriend verliest,
     Nu 't hem niet rouwt dat hij uw schuld betaalt;
     Want snijdt de Jood slechts diep genoeg er in,
     Betaal 'k haar dadelijk met heel mijn hart.

BASSANIO:
     Antonio, 'k ben met een vrouw getrouwd,
     Die me even dierbaar is als 't leven zelf;
     Maar 't leven zelf, mijn vrouw, en heel deze aard,
     _Uw_ leven schat ik hooger dan die saam;
     Dat alles wil 'k verliezen, offer 't op,
     Aan dezen duivel hier voor uw behoud.

PORTIA:
     Uw vrouw zou u slechts weinig dankbaar zijn,
     Als zij u hier dit aanbod hoorde doen.

GRATIANO:
     Ik heb een vrouw, die 'k zweer dat ik bemin:
     Ik wensch haar in den Hemel, als ze z
     Deez' hondschen Jood door beden buigen kon.

NERISSA:
     Gij zegt dit wijs'lijk zonder dat zij 't hoort,
     't Werd anders wel wat woelig in uw huis.

SHYLOCK (_ter zijde_):
     Die Christen-echtgenooten! Ik bezit
     Een dochter; liever zag 'k dat een van 't kroost
     Van Barrabas[59] haar man waar' dan een Christen!
     (_Luid_) Geen tijd verspild; doe uitspraak, bid ik u.

PORTIA:
     Een pond vleesch van den koopman komt u toe;
     Het hof bekrachtigt wat de wet vergunt.

SHYLOCK:
     Rechtvaardigste aller rechters!

PORTIA:
     Gij moogt dat vleesch hem snijden uit de borst;
     Wat u de wet veroorlooft, staaft het hof.

SHYLOCK:
     Geleerde rechter!--De uitspraak! Wees bereid.

PORTIA:
     Wacht even; er komt nog iets anders bij.--
     't Kontrakt hier geeft u niet n druppel bloed,
     De woorden zijn uitdrukk'lijk, _een pond vleesch_;
     Maar stort gij bij het snijden nen drop
     Van 't Christenbloed, dan wordt uw land en goed
     Volgens Veneti's wet verbeurd verklaard
     Ten gunste van Veneti's staat.

GRATIANO:
     O brave wijze rechter! Hoort ge 't Jood?--

SHYLOCK:
     Luidt z de wet?

PORTIA:
     Gij zelf zult de akte zien.
     Want, daar ge op recht staat, ik verzeker u,
     Gij _zult_ het hebben, meer dan gij verlangt.

GRATIANO:
     O, wat een wijze, knappe rechter, Jood!

SHYLOCK:
     Dan kies ik 't aanbod,--geef mij driemaal 't geld,
     En laat den Christen gaan.

BASSANIO:
     Hier is het geld.

PORTIA: Zacht wat;--
     De Jood krijgt alle recht;--zacht wat;--geen haast;--
     Niets anders krijgt hij dan wat is verbeurd.

GRATIANO:
     O, Jood, wat is die rechter wijs en braaf!

PORTIA:
     Maak u daarom gereed en snijd het vleesch,
     En stort geen bloed, en snijd niet min noch meer,
     Maar juist een pond vleesch: neemt ge meer van hem,
     Of minder dan precies een pond,--al is 't
     Een twintigst partje slechts te licht of zwaar
     Van nen scrupel,--ja, indien de schaal
     Hier nog een deel van of een haartje helt,--
     Dan sterft ge, en al uw goed'ren zijn verbeurd.

GRATIANO:
     Een tweede Danil, een Danil, Jood!
     Nu heb ik je te pakken, heidenhond!

PORTIA:
     Wat talmt de Jood? Neem wat u is verbeurd.

SHYLOCK:
     Geef mij mijn kapitaal, en laat mij gaan.

BASSANIO:
     Ik heb het voor u bij de hand; hier is 't.

PORTIA:
     Hij wilde 't niet ten aanzien van het hof:
     Hem zal slechts recht geschieden naar 't kontrakt.

GRATIANO:
     Een Danil, zeg ik maar; een tweede Danil!--
     Dank, Jood, dat gij mij dit woord hebt geleerd.

SHYLOCK:
     Zal ik dan zelfs mijn kapitaal niet zien?

PORTIA:
     Gij zult slechts hebben wat u is verbeurd,
     Dus neem het, Jood, op eigen risico.

SHYLOCK:
     De duivel geve er hem dan 't voordeel van!
     Ik blijf niet langer bij 't verhoor.

PORTIA:
     Wacht Jood;
     De wet heeft ook nog anders vat op u.
     Er is verordend in Veneti's wet:
     Indien een vreemdeling bewezen wordt
     Door pogingen rechtstreeks of zijdelings
     Naar 't leven van een Venetiaan te staan,
     Dan krijgt degene die zijn aanslag geldt
     De helft van zijn vermogen, de and're helft
     Wordt aan de schatkist van den staat verbeurd.
     En 't leven van den schuld'ge is in de hand
     Slechts van den Doge, zonder and're stem.
     Ik zeg dat gij in dit geval verkeert;
     Het blijkt toch uit uw zichtb're handelwijs
     Dat zijdelings en rechtstreeks bovendien
     Ge een aanslag tegen 't leven hebt gesmeed
     Van den beklaagde en zoo berokkent ge u
     Het vonnis dat zooeven 'k heb vermeld.
     Op uw knien dus, en smeek gena.

GRATIANO:
     Smeek om verlof u op te hangen, Jood;
     En toch, daar uw bezit den staat verviel,
     Hebt ge de waarde van een strop niet meer;--
     Gehangen moet ge op kosten van den staat.

DOGE:
     Dat gij 't verschil van onzen aard moogt zien,
     Schenk ik u 't leven eer gij er om vraagt.
     Antonio krijgt de helft van uw bezit;
     En de and're komt aan het gemeenebest,
     Die need'righeid in boete kan verand'ren.

PORTIA:
     Ja, voor den staat, niet voor Antonio.[60]

SHYLOCK:
     Neen, neem mijn leven, alles; schenk 't mij niet:
     Gij neemt mijn huis, als gij 't den stut ontneemt
     Die 't ondersteunt; gij neemt mijn leven ook,
     Als gij de midd'len neemt waardoor ik leef.

PORTIA:
     Schenkt gij hem ook een gunst, Antonio?

GRATIANO:
     Een worgkoord gratis; anders niet, bij God.

ANTONIO:
     Mijnheer de Doge en 't hof, 't behage aan u
     De helft hem wr te schenken van zijn goed;
     Ik ben voldaan, als hij mij de and're helft
     In bruikleen geven wil, om bij zijn dood
     Het te vermaken aan den edelman
     Die onlangs zijne dochter stal;
     Nu nog twee dingen,--dat voor deze gunst,
     Hij zonder oponthoud een Christen wordt;
     En dat hij hier voor 't hof een schenking doet
     Van alles wat hij bij zijn dood bezit
     Aan zijnen zoon Lorenzo en zijn dochter.

DOGE:
     Dat moet hij doen, of anders trek ik weer
     De vrijspraak, die 'k zooeven toezegde, in.

PORTIA:
     Zijt gij tevreden, Jood? Wat antwoordt gij?

SHYLOCK:
     Ik ben tevreden.

PORTIA:
     Klerk, een schenkingsakte.

SHYLOCK:
     Ik bid u, sta mij toe van hier te gaan.
     Ik ben niet wel; zend de akte me achterna.
     En 'k zal haar teek'nen.

DOGE:
     Ga, maar doe 't dan ook.

GRATIANO:
     Twee peters zult gij hebben bij den doop;
     Ware ik hier rechter, tien kreegt gij er bij,
     Om galgwaarts u te brengen, niet naar 't vont.[61]

(SHYLOCK _af._)

DOGE:
     Mijnheer, 'k verzoek u bij me op 't middagmaal.

PORTIA:
     Ik vraag Uw Hoogheid need'rig mij te ontslaan.
     Ik moet vanavond nog naar Padua;
     En 'k ben genoodzaakt daad'lijk heen te gaan.

DOGE:
     Het spijt me dat uw tijd het niet gedoogt.
     Antonio bewijs dien heer uw dank,
     Want, naar mij dunkt, zijt gij hem veel verplicht.

(_De_ DOGE, _Magnifico's en Gevolg af._)

BASSANIO:
     Zeer waard'ge Heer, door uwe wijsheid zijn
     Mijn vriend en ik op dezen dag bevrijd
     Van zware boeten; en in ruil daarvoor
     Vergelden wij met drie duizend dukaten,
     Den Jood verschuldigd, uw beleefden steun.

ANTONIO:
     En bovendien zijn wij uw schuldenaars
     In liefde en dienst voor alle eeuwigheid.

PORTIA:
     Wie wel tevreden is, is wel betaald,
     En ik, u reddend, ben daarme tevren,
     En daardoor acht ik mij genoeg betaald:
     Mijn geest was nooit op groot're winst bedacht.
     Ik bid u, kent mij, als we elkaar weer zien.
     Ik wensch u 't beste; hierme moet ik gaan.

BASSANIO:
     Ik moet het nogmaals trachten, waarde heer;
     Neem een herinnering aan ons, als hulde,
     En niet als loon: sta mij twee dingen toe,
     Gn weigering en wl vergiffenis.

PORTIA:
     Gij dringt er zeer op aan, dus geef ik toe.
     Geef me _uw_ handschoenen, 'k draag ze om uwentwil; (_tot_ ANTONIO)
     Uit vriendschap neem ik dezen ring van _u._ (_tot_ BASSANIO.)
     Trek niet uw hand terug; ik neem niets meer;
     En uwe vriendschap weigert mij dit niet.

BASSANIO:
     De ring, Mijnheer? ach, 't is een bagatel;
     Ik zou mij schamen als ik hem u gaf.

PORTIA:
     Ik wil niets anders hebben dan dien ring;
     'k Heb er mijn zinnen eenmaal op gezet.

BASSANIO:
     't Geldt meer den ring zelf dan de waarde ervan.
     Den duursten in Veneti geef ik u,
     'k Roep openlijk er door de stad om uit;
     Verschoon mij, bid ik u, nu 't dezen geldt.

PORTIA:
     Ik zie dat gij zeer gul met aanbod zijt;
     Eerst leert gij mij een beed'laar zijn, en nu
     Hoe men een bedelaar te woord moet staan.

BASSANIO:
     De ring werd mij geschonken door mijn vrouw;
     Bij 't aandoen zwoer ik haar dat ik hem niet
     Verkoopen, geven of verliezen zou.

PORTIA:
     Zoo spreekt wel menig man die liefst niets geeft.
     Indien uw vrouw niet gansch dolzinnig is,
     En weet hoe goed ik dezen ring verdien,
     Dan is zij niet voor altijd boos op u,
     Omdat ge mij hem gaaft. Nu vaar gij wel.

(PORTIA _en_ NERISSA _af._)

ANTONIO:
     Mijnheer Bassanio, schenk hem den ring;
     Laat zijn verdienste en mijne vriendschap ook,
     Meer gelden dan 't bevel van uwe vrouw.

BASSANIO:
     Ga, Gratiano, loop en haal hem in;
     Geef hem den ring; en breng hem, zoo gij kunt,
     Me naar Antonio's huis:--Voort! haast u wat.

(GRATIANO _af._)
     Kom, laten wij daar daad'lijk henen gaan;
     En in den vroegen morgen zullen wij
     Naar Belmont vliegen: kom, Antonio. (BEIDEN _af._)




TOONEEL II.

_Veneti. Een Straat._


NERISSA _en_ PORTIA _komen op._

PORTIA:
     Zoek 't huis op van den Jood, geef hem dit stuk,
     En laat hem teek'nen. Wij vertrekken straks,
     En zijn een dag vr onze mannen thuis.
     Deze akte zal Lorenzo welkom zijn.

GRATIANO _komt op._

GRATIANO:
     'k Heb u gelukkig ingehaald, mijnheer:
     Bij nader inzien zendt Bassanio
     U dezen ring en vraagt of gij met hem
     Wilt middagmalen.

PORTIA:
     Neen, dat zal niet gaan:
     Ik ben hem zeer, zeer dankbaar voor zijn ring,
     En 'k bid u, zeg hem dat. Wees thans zoo goed,
     En wijs mijn klerk waar de oude Shylock woont.

GRATIANO:
     Zeer gaarn.

NERISSA:
     Mijnheer, ik wilde u even spreken:--
     (_tot_ PORTIA) 'k Zal zien of ik den ring krijg van mijn man,
     Dien hij mij zwoer nooit weg te zullen doen.

PORTIA:
     Ik wed dat gij het kunt. Wat zullen zij
     Nu zweren dat zij hem aan mannen gaven!
     Wij zullen echter hun te slim af zijn.
     Voort, haast u wat; gij weet waar ik u wacht.

NERISSA:
     Kom, waarde Heer, en wijs mij nu het huis. (_Allen af._)




VIJFDE BEDRIJF

TOONEEL I.

_Belmont. Een Laan naar Portia's Buiten._


LORENZO _en_ JESSICA _komen op._

LORENZO:
     De maan schijnt klaar:--in zulk een zomernacht,
     Toen zoele wind de boomen zachtjes kuste,
     Zoodat geen ruischen klonk,--in zulk een nacht
     Klom Troilus, naar ik meen, op Troje's muur,
     Zijn ziel uitzuchtend naar het Grieksche kamp,
     Waar Cressida toen sliep.

JESSICA:
     In zulk een nacht
     Ging Thisbe angstig tripp'lend op den dauw;
     En zag vooruit de schaduw van den leeuw,
     En liep verschrikt van daar.

LORENZO:
     In zulk een nacht
     Stond Dido met een wilgentak omhoog
     Op 't wilde strand, en wenkte tot haar lief
     Om weer aan wal te gaan.

JESSICA:
     In zulk een nacht
     Verzamelde Medea 't tooverkruid,
     Dat Aeson gansch verjongde.

LORENZO:
     In zulk een nacht
     Stal Jessica zich van den rijken Jood,
     Ontliep Veneti met haar roek'loos lief,
     En kwam op Belmont aan.

JESSICA:
     In zulk een nacht
     Was 't dat Lorenzo haar zijn liefde zwoer,
     Stelend haar ziel met meen'gen eed van trouw,
     En geen van alle waar.

LORENZO:
     In zulk een nacht,
     Belasterde de kleine Jessica,
     Die snib, haar liefste' en hij vergaf het haar.

JESSICA:
     Ik overtroefde u, als daar niemand kwam;
     Maar, luister, 'k hoor de stappen van een man.

STEPHANO _komt op._

LORENZO:
     Wie komt zoo snel in 't stille van den nacht?

STEPHANO:
     Een vriend.

LORENZO:
     Een vriend? wat vriend? uw naam, ik bid u, vriend?

STEPHANO:
     Mijn naam is Stephano, en 'k meld u dat
     Mijn meesteres voor 't krieken van den dag
     Te Belmont zijn zal: nu nog doolt zij rond
     Langs heil'ge kruisen, waar zij knielt en bidt
     Voor een gelukkig huw'lijk.

LORENZO:
     Wie is bij haar?

STEPHANO:
     Haar dienstmaagd en een heil'ge kluizenaar.
     Ik bid u, is mijn meester reeds terug?

LORENZO:
     Neen, en wij hebben niet van hem gehoord.
     Maar gaan wij binnen, 'k bid u, Jessica,
     En laat ons hoffelijk een welkomstgroet
     Bereiden voor de meesteres van 't huis.

LANCELOT _komt op._

LANCELOT:
     Hola, hola, hei, ha, ho, hola, hola!

LORENZO:
     Wie roept daar zoo?

LANCELOT:
     Hola! Hebt gij meester Lorenzo en meesteres Lorenzo ook gezien?
     Hola! Hola!

LORENZO:
     Houdt op met je gehola, man;--hier.

LANCELOT:
     Hola! Waar? waar?

LORENZO:
     Hier.

LANCELOT:
     Zeg hem dat er een koerier van mijn meester is gekomen, met zijn
     hoorn vol goede tijding! Mijn meester zal hier vr den morgen
     aankomen. (_Af._)

LORENZO:
     Ga binnen, liefste, wachten wij hun komst.
     Neen, 't is niet noodig;--waarom zouden wij?
     Vriend Stephano, ik bid u, meld in 't huis
     Dat uwe meesteres in aantocht is;
     En breng dan ook de muzikanten hier. (STEPHANO _af._)
     Wat slaapt het maanlicht op deez' helling zoet!
     Hier zittend laten wij muziekgespeel
     Ons oor insluipen; zachte stilte en nacht
     Past bij 't geluid van zoete harmonie.
     Kom, Jessica. Zie hoe des hemels vloer
     Is ingelegd met plaatjes schitt'rend goud,--
     En zelfs de kleinste bol, dien gij aanschouwt,
     Zingt bij zijn went'ling met een eng'lenstem
     In koor met cherubijnen, jong-geoogd:
     Ook de eeuw'ge ziel heeft zulk een harmonie;
     Maar daar 't vergankelijke kleed van stof
     Haar dicht omsluit, vernemen wij die niet.--

_De Muzikanten komen op._

     Ha, komt, en wekt Diana[62] met een zang;
     Dringt met uwe zoetste tonen in het oor
     Van uwe meest'res, en lokt haar door muziek.

JESSICA:
     Nooit beurt een lieflijke muziek mij op. (_Muziek._)

LORENZO:
     Dat komt omdat uw geest gespannen is;
     Want let eens op een wilde en dart'le kudde
     Of op een troep jonge, ongetemde veulens,
     Dol springend met gehinnik en geloei,
     Wat wijst op 't vurig stroomen van hun bloed;--
     Als slechts bij toeval een trompetgeluid
     Of soms een melodie hun ooren treft,
     Dan zult gij merken hoe zij blijven staan,
     Hun woeste blik in zedig zien verkeerd
     Door zoete tonenmacht: zoo zong de dichter[63]
     Dat Orpheus boomen, steenen, stroomen trok,
     Daar niets zoo houten, hard en bruisend is,
     Dat niet muziek een poos 't verand'ren doet.
     De mensch die geen muziek heeft in zijn ziel,
     Noch wordt geroerd door zoete harmonie,
     Hij is in staat tot list, verraad en roof,
     De gangen van zijn geest zijn zwart als nacht,
     En donker is zijn hart als de Erebus;[64]
     Vertrouw zoo'n mensch niet.--Let op de muziek.

PORTIA _en_ NERISSA _verschijnen op eenigen afstand._

PORTIA:
     Het licht dat we daar zien, brandt in mijn zaal.
     Wat werpt die kleine kaars haar stralen ver!
     Zoo blinkt een goed werk in een booze wereld.

NERISSA:
     Bij 't maanlicht zagen wij de kaarsvlam niet.

PORTIA:
     Zoo maakt de groot're glans den mind'ren dof:
     Een onderkoning schittert als een vorst,
     Totdat de vorst verschijnt en dan verliest
     Zijn statie zich, zooals een binnen-beek
     In 't ruime zeegebied. Maar hoor! Muziek!

NERISSA:
     't Is uw orkest, Mevrouw, de huismuziek.

PORTIA:
     De omstandigheden maken eerst iets goed.[65]
     Me dunkt zij klinkt veel zoeter dan bij dag.

NERISSA:
     De stilte geeft haar die bekoorlijkheid.

PORTIA:
     De leeuw'rik zingt niet beter dan de kraai,
     Slaat niemand op hen acht; mij dunkt, men stelde
     Den nachtegaal, zong hij bij dag zijn lied,
     Als elke gans aan 't kaak'len is, gelijk
     Als muzikant met 't winterkoninkje.
     Hoe menig ding krijgt door den juisten tijd
     Zijn juisten lof in ware uitnemendheid!
     Stil daar! de maan slaapt met Endymion,[66]
     En zij wil niet gewekt. (_De muziek houdt op._)

LORENZO:
     Dat is de stem,
     Als 'k mij niet zr bedrieg, van Portia.

PORTIA:
     Hij kent mij aan mijn slechte stem, zooals
     De blinde man den koekoek.

LORENZO:
     Welkom thuis.

PORTIA:
     Voor 't welzijn onzer mannen hebben wij
     Gebeden opgezonden, en ik hoop
     Dat ons gebed hun voorspoed heeft gebracht;
     Zijn zij terug?

LORENZO:
     Mevrouw, zij zijn 't nog niet;
     Een bode is echter vr hen uit gegaan,
     En meldt hun komst.

PORTIA:
     Nerissa, ga in huis;
     Gelast mijn dienaars dat ze in geen geval
     Iets zeggen over onze afwezigheid;--
     Noch gij, Lorenzo:--Jessica, noch gij.

(_Een trompetstoot._)

LORENZO:
     Uw man is naderend; ik hoor zijn sein:
     Wij zijn geen klikkers, wees niet bang, Mevrouw.

PORTIA:
     Mij dunkt deez' nacht is 't zieke daglicht slechts:
     Hij ziet een weinig bleeker: 't is een dag
     Gelijk de dag is als de zon niet schijnt.

BASSANIO, ANTONIO _en_ GRATIANO _komen op met Gevolg._

BASSANIO:
     Wij hadden met de tegenvoeters dag,
     Als gij woudt schijnen bij gebrek aan zon.

PORTIA:
     Licht geven wil ik, maar licht zijn wil 'k niet;
     Een lichte vrouw toch maakt haar man het zwaar,
     En dat doe ik Bassanio nimmer aan;
     God geve 't beste! Welkom hier, gemaal.

BASSANIO:
     Mijn dank, Mevrouw: verwelkom ook mijn vriend.--
     Dit is de man, dit is Antonio,
     Aan wien ik mij zoo machtig voel verplicht.

PORTIA:
     Met reden voelt gij u zeer aan hem verplicht,
     Want meer dan plicht heeft hij voor u gedaan.

ANTONIO:
     Niet meer dan waar 'k gelukkig vrij van kwam.

PORTIA:
     Mijnheer, gij zijt zeer welkom in ons huis:
     Maar 'k staak die hoff'lijkheid van taal, omdat
     Het anders blijken moet dan door mijn woord.

GRATIANO (_tot_ NERISSA):
     Gij doet mij onrecht, 'k zweer 't u bij de maan;
     Geloof me, ik gaf hem aan den klerk van 't hof:
     Gesneden mag hij wezen, die hem heeft,
     Als 't u, mijn liefste, zooveel zorgen geeft.

PORTIA:
     Hoe, nu al twist? Wat is er aan de hand?

GRATIANO:
     't Is om een boogje goud, een poov'ren ring
     Dien zij me gaf, waarvan, verbeeld u eens,
     Het motto was, als smeden-rijm'larij
     Op 't mes,[67] "Bemin mij en verlaat mij niet."

NERISSA:
     Wat praat ge van het motto of de waarde?
     Ge zwoert me, toen ik u hem gaf, dat gij
     Hem dragen zoudt tot 't uur van uwen dood;
     Dat hij met u zou liggen in het graf:
     Schoon niet om mij, toch, om uw duren eed,
     Hadt gij u moeten hoeden en hem houden.
     Gegeven aan een klerk! nu, ik weet wel
     Dat die geen haartje krijgt op zijn gezicht.

GRATIANO:
     Dat zal hij wel, wordt hij maar eerst een man.

NERISSA:
     Ja zeker, wordt een vrouw maar eerst een man.

GRATIANO:
     Wel, bij mijn hand, ik gaf hem een jongmensch,--
     Een soort van knaap; een kleinen half-was knaap,
     Niet grooter dan gij zelf, een rechtersklerk;
     Een babbeljongen, die hem vroeg als loon;
     't Hem weig'ren kon ik voor mijn leven niet.

PORTIA:
     Gij waart te laken, 'k zeg het u ronduit,
     Dat gij van 't eerste dat uw vrouw u gaf
     Lichtvaardig scheiden kondt, dat met een eed
     Aan uwen vinger werd gestoken, zoo
     Met trouw werd vastgeklonken aan uw vleesch.
     Ik gaf mijn liefste' een ring, waarbij hij zwoer
     Er nimmer van te scheiden; zie hem daar,--
     Ik zweer u, nooit doet hij er afstand van,
     Of trekt hem van zijn vinger voor al 't goud
     Op heel de wereld. Werk'lijk, Gratiano,
     Gij geeft uw vrouw onvriend'lijk grond tot smart;
     Gebeurde 't mij, ik was door 't dolle been.

BASSANIO (_ter zijde_):
     Ik kapte graag mijn linkerhand er af,
     En zwoer dat 'k in een strijd den ring verloor.

GRATIANO:
     Bassanio gaf _zijn_ ring aan den rechter
     Die er om vroeg, en hem ook inderdaad
     Verdiende, en toen verzocht de knaap, zijn klerk,
     Die moeite deed met schrijven, dien van mij:
     En heer noch dienaar wilden anders iets
     Dan de twee ringen.

PORTIA:
     Welken gaaft gij dan?
     Toch niet dien gij van mij kreegt, heer gemaal?

BASSANIO:
     Kon ik een leugen voegen bij een fout,
     Dan zou 'k het looch'nen, maar mijn vinger, zie,
     Bezit den ring niet langer; hij is weg.

PORTIA:
     Zoo is uw valsch hart ook van trouw ontdaan.
     Ik zweer het u, ik kom niet in uw bed,
     Eer ik den ring zie.

NERISSA:
     Ik in 't uwe niet,
     Eer ik den mijne weerzie.

BASSANIO:
     Portia lief,
     Wist gij wien ik plezier deed met den ring,
     Wist gij voor wien 'k vaarwel zei aan den ring,
     Begreept ge waarom 'k afzag van den ring,
     En hoe onwillig 'k scheidde van den ring,
     Toen niets werd aangenomen dan de ring,
     Gij zoudt de kracht wat temp'ren van uw toorn.

PORTIA:
     Als gij de kracht gekend had van den ring,
     Of wat de schenkster waard was van den ring,
     Of hoe uw eer gemoeid was met den ring,
     Dan waart gij niet gescheiden van den ring.
     Wie is de man van zoo'n onreed'lijkheid
     Die, hadt gij er met ijver voor gewaakt,
     Zoo onbescheiden waar' geweest om iets
     Te _willen_ hebben dat u heilig was?
     Nerissa leert mij wat ik denken moet,
     'k Zal sterven als een vrouw den ring niet kreeg.

BASSANIO:
     Neen, bij mijn eer, Mevrouw, bij mijne ziel,
     Geen vrouw ontving hem, maar een rechtsgeleerde,
     Die drieduizend dukaten van mij afsloeg
     En om den ring verzocht, dien 'k weigerde,
     Waardoor hij mij in slechten luim verliet,
     Ja, hij die 't leven van een dierb'ren vriend
     Gered had. Wat moet ik nu zeggen, lief?
     Ik was genoopt den ring hem na te zenden,
     Door schaamte en hoff'lijkheid daartoe geleid.
     Mijn eer liet zich door zulk een ondank niet
     Bezoedelen: vergeef 't mij, lieve vrouw;
     Want, bij die heil'ge kaarsen van den nacht,
     Gij zelf hadt, dunkt mij, me om den ring gevraagd
     Om hem te geven aan den waard'gen doctor.

PORTIA:
     De doctor kome niet nabij mijn huis:
     Nu hij 't mij zoo geliefde kleinood heeft,
     Dat gij om mijnentwil te houden zwoert,
     Zal ik vrijgevig worden als ook gij;
     Ik zal hem niets ontzeggen dat ik heb;
     Mijn lichaam niet en 't bed niet van mijn man.
     Ik _zal_ hem kennen, 't is mijn vast besluit:
     Verlaat uw huis niet 's nachts; bewaak me als Argus[68]
     En als ge 't niet doet, laat ge mij alleen,
     Dan, bij mijn eer, die mij nog toebehoort,
     Maak ik dien doctor tot mijn bedgenoot.

NERISSA:
     En ik zijn klerk; dus overweeg nu goed
     Hoe gij mij in mijn eigen hoede laat.

GRATIANO:
     Nu, doet ge 't, zorg dat ik er dan niet ben,
     Want heusch, ik breek den jongen klerk zijn pen.

ANTONIO:
     Ik ben de ellendige oorzaak van den twist.

PORTIA:
     Trek 't u niet aan; tch zult ge welkom zijn.

BASSANIO:
     Portia, vergeef mij de afgedwongen fout;
     Voor de ooren van de vele vrienden hier,
     Zweer 'k bij uw eigen schitt'rende oogen u:
     Waarin 'k mijzelven zie,--

PORTIA:
     Let wel hierop!
     Hij ziet zich zelf verdubbeld in mijn oogen:
     In elk oog n; zweer bij uw dubbel ik,--[69]
     Een zeer betrouwbare eed!

BASSANIO:
     Neen, hoor mij aan;
     Vergeef die fout, en 'k zweer u bij mijn ziel,
     Dat ik nooit meer mijn eed aan u verbreek.

ANTONIO:
     Mijn lichaam leende ik eens voor zijn geluk,
     Dat zonder hem die thans den ring bezit
     Geheel verloren waar': ik durf nu weer
     Mijn ziel op 't spel te zetten, dat uw man
     Nooit meer opzett'lijk zijn belofte breekt.

PORTIA:
     Wees gij zijn borg dan: geef hem dit, en zeg
     Dat hij hem beter dan den and'ren houdt.

ANTONIO:
     Ziehier, en zweer dat gij deez' ring behoudt.

BASSANIO:
     Hoe? 't Is dezelfde dien 'k den doctor gaf!

PORTIA:
     Hij schonk hem mij: vergeef Bassanio,
     Want door 't bezit van dezen had hij mij.

NERISSA:
     Vergeef gij 't mij ook, waarde Gratiano,
     Want juist die half-was knaap, de doctorsklerk,
     Lag dezen nacht door dezen ring bij mij.

GRATIANO:
     Nu, dit is als 't verbeet'ren van den weg
     Des zomers, als hij goed en deugd'lijk is:
     Wij horendragers, eer wij 't nog verdienen?

PORTIA:
     Spreek niet zoo boud.--Gij staat geheel verbaasd:
     Hier is een brief, lees hem op uw gemak;
     Hij komt uit Padua, van Bellario:
     Gij ziet dat Portia de doctor was,
     Nerissa daar, haar klerk. Lorenzo zal
     Getuigen dat 'k gelijk met u vertrok,
     En juist terugkwam: 'k heb mijn huis nog niet
     Betreden.--Welkom hier, Antonio;
     Ik heb voor u nog beter nieuws bewaard,
     Dan gij verwacht; verbreek deez' brief met spoed;
     Want gij zult zien dat drie van uw galjoenen
     Plots binnenliepen met een rijke vracht:
     Door welk vreemd toeval ik den brief verkreeg,
     Dat komt gij niet te weten.

ANTONIO:
     'k Sta verstomd.

BASSANIO:
     Waart gij de doctor, en ik kende u niet?

GRATIANO:
     Waart gij de klerk, die mij de horens geeft?

NERISSA:
     Ja, maar de klerk, die 't nimmer denkt te doen,
     Tenzij hij in een man verand'ren mocht.

BASSANIO:
     Geliefde doctor, wees mijn bedgenoot,
     En als ik weg ben, lig dn bij mijn vrouw.

ANTONIO:
     Gij gaaft mij 't leven, dierb're, en 't onderhoud,
     Want dat mijn schepen veilig zijn geland,
     Lees 'k hier als zeker.

PORTIA:
     Kom, Lorenzo, nu
     Heeft ook voor u mijn klerk een goede troost.

NERISSA:
     Ja, en ik zal ze u geven zonder loon.--
     Hier geef ik dan aan u en Jessica
     Een schenkingsacte van den rijken Jood,
     Die na zijn dood u al zijn goed vermaakt.

LORENZO:
     Gij schoonen druppelt manna op den weg
     Van 't hong'rend menschdom.

PORTIA:
     Het is bijna morgen,
     En toch, 'k ben zeker, zijt gij niet geheel
     Omtrent den loop voldaan: gaat binnen dus;
     En neem ons plechtiglijk daar in verhoor,
     Wij geven trouw op alles u bescheid.

GRATIANO:
     Zoo zij het dan; maar de allereerste vraag,
     Die mij Nerissa moet bezweren, is
     Of 't tot den nacht te toeven haar behaagt
     Of nu naar bed te gaan, twee uur voor 't daagt?
     Maar 'k zou het duister wenschen, waar' 't ook dag,
     Wanneer ik bij de klerk des doctors lag.
     Zoolang ik leef, ben 'k voor geen ander ding
     Zozeer bezorgd als voor Nerissa's ring. (_Allen af._)




VOETNOTEN:


[1] Romeinsche oorlogsgod, ook god van het begin van het jaar, met twee
aangezichten, waarvan het eene vaak jeugdig en glimlachend en het andere
oud en gefronsd was.

[2] Koning van Pylos (Navarino), een der Grieksche helden die aan den
Trojaanschen oorlog deelnamen; de type van ouderdom, wijsheid en ernst.

[3] Toespeling op een grafteeken.

[4] Vgl. Mattheus V, 22.

[5] Nl.dendunkvanwijsheiddiendemenschenvanukrijgenmoeten,
juistietsvoormaltentigeliedenomnaartestreven.

[6] OnderaanvoeringvanJasonzeildendeArgonautennaarKolchos
(ofKolchis,)tenOostenvandeZwarteZeeomdegoudenvachttehalen.

[7] Nl.Veneti.

[8] Spreuken XVII, 5.

[9]d.i.hemwaarborgde,erborgvoorbleef.

[10]Zekereprofetessen.EenvanhenhadvanApollo,dieophaarverliefd
was,verkregendatzijevenveeljarenzoulevenalshijzandkorrelsinzijn
handhield.

[11]Erwarenereigenlijkzes:deNapolitaanschePrins,dePaltsgraaf,
deFranschman,deEngelschebaron,deSchotschelordendeDuitscher,
maar dit is eenvandie "slips"welkeShakespearemeeroverkomen.

[12] DeVenetiaanschedukaatgoldongeveereenrijksdaalder.

[13] d.i.opdebeurs,diezichbevondopdeIsoladelRivoalto(eiland
van dendiepenstroom,)uitwelkelaatstewoordenRialtoisontstaan.In
Shakespeare'stijdbestonddebrugvandiennaamnogniet.

[14] ToespelingopJezus'wonderin'tlandvandeGadarenen, LukasVIII,
33.

[15] GenesisXXVIII,13en14.

[16] Genesis XXX, 31 vgg.

[17] Mattheus IV, 6.

[18] d.i. wanneer eischte een vriend, die een anderen vriend geld leende,
winst van hem in den vorm van interest, daar toch het geld als een van
nature onvruchtbaar iets zich niet vermenigvuldigen kan?--Reeds
 Aristoteles en Bacon wezen hierop.

[19] d.w.z. een overeenkomst zonder verdere voorwaarde van verbeurte in
geld.

[20] Hier in den zin van kieskeurig.

[21] De Shah van Perzie.

[22] Zie  A n t .  e n  C l e o p .  IV, 12, 45.

[23] Een andere naam voor Hercules.

[24] nl. om den eed af te leggen.

[25] Italiaansch voor: Weg!

[26] Hij bedoelt  d i r e k t .

[27] De Parcen of Schikgodinnen.

[28] Lancelot knielt met den rug naar zijn vader, die bij 't betasten
van Lancelots hoofdhaar denkt dat hij een baard te pakken heeft.

[29] Hij bedoelt: "de zaak gaat mij aan, betreft mij," maar hij gebruikt
om deftig te zijn een woord waarvan hij de beteekenis niet begrijpt.

[30] Hij bedoelt: "het effectieve."

[31] "Wie Gods genade heeft, heeft rijkdom genoeg."

[32] Hij verknoeit op deze zotte manier het deftige "betoomen."

[33]Hemgeldgevend.

[34] Verwarring tusschen "bezoek" en "komst."

[35] Woensdag na vastenavond. De volgende woorden van L. zijn
opzettelijke onzin.

[36] Z. O. van de Kaspische zee.

[37] Vgl. M a c b e t h ,I,6,4.

[38] Schertsendetoespraaktotdenbode,alsterugslagopzijnvraag.

[39] Tegenover de kust van Kent, de bank was vroeger een eiland
toebehoorend aan Goodwin, den Graaf van Kent, dat in 1097 door de zee
werd verwoest.

[40] Door het eten van sterken gember trachtte men zich tranen in de
oogen te persen, als men den schijn wilde aannemen van te weenen. Ook
werd gember vroeger als een hartigheidje voor den ouden dag gebruikt.

[41] Solanio vatShylockswoordeninletterlijkenzinop,enbeantwoordt
diedaaromzoodubbelzinnig-obsceen.

[42] Al mag een maagd zich niet met haar tong, maar alleen in haar
gedachten uiten.

[43] Hercules.

[44] De zeegod Poseidon, door den Trojaanschen koning Laomedon beleedigd,
dreigde Troje te zullen vernietigen als Laomedon zijn dochter Hesione
niet opofferde. Deze werd dan ook aan een rots gebonden om de prooi te
worden van een zeemonster, maar zij werd door Hercules bevrijd.

[45] De verborgen beteekenis van dit liedje is volgens sommige
commentators dat Bassanio zich niet door zijn fantasie en door een
valschen schijn (in dit geval van goud en zilver) moet laten verblinden.
Een zachte en geheime wenk dus om het looden kistje te kiezen.

[46] De door valschenschijngewekteillusievergaatweer,nadathetoog,
datereerstdoorwerdverblind,erdeholheidennietigheidvaninziet.

[47] Eenwitte,bloedeloozeleverkomtbijSh.dikwijlsalssymboolvan
lafheidvoor.

[48] d.w.z.opdehoofdenvanvrouwendiedaardoorvoorblondgehouden
worden.ErwerdinSh.'stijdveelblondhaargedragenomdatkoningin
Elizabethblondwas.

[49] Midas,koningvanPhrygie,hadvanBacchusdegaveontvangenalles
wathijaanraakteingoudteveranderen.Daardoorwerdookalleswathij
wildeetenendrinkengoud,zoodathijgenoodzaaktwasdengodom
herroeping vanzijngavetebidden.

[50] Vgl.I,1,172.(Noot1blz.13.)

[51] VenetiaanscheSenatoren.Vgl. O t h e l l o ,I,2,12.

[52] Met"mijnziel"wordtBassaniobedoeld.

[53] Hijbedoelt i d e e .

[54] SkyllaenCharybdis:draaikolkenbijMessinaopdekustvanSicili.

[55] Vgl.LukasXVI, 25.Dezepassagekanmisschiendienenomdemoeilijke
plaatsin'tbeginvan O t h e l l o teverklaren,waarIagovanCassio
zegt: "Eenkerel,haastverdoemddoor'nmooievrouw."

[56] Dr.Leydenzegtinzijnuitgavevan"TheComplayntofScotland" dat
dedoedelzakkengewoonlijkbekleedwarenmetwollenstofvangroene
kleur.

[57] Vgl.JacobusII,13.

[58] VoorbeeldvanShakespeariaanscheopeenhoopingvannegatieven.

[59] Het Evangelie noemt hem Barabbas, Lukas XXIII, 18.

[60] Het veranderen van de intrekking van de helft van 't vermogen in
een boete geldt wel voor den Staat, maar niet voor Antonio.

[61] Toespeling op de twaalf leden van de Jury, soms spottenderwijs,
"the twelve godfathers" genoemd, o.a. in  T h e  M u s e s'
L o o k i n g  G l a s s , een blijspel van Randolph, IV, 4.

[62] De maangodin.

[63] Ovidius.

[64] Tartarus, onderwereld.

[65] d.i. niets is goed op zichzelf; slechts de bijkomende
omstandigheden, de betrekking tot andere dingen, maken het zoo.

[66] De maangodin Diana was verliefd op den schoonen jager Endymion, die
zich ophield op den berg Latmos in Kari. (Kl. Azi.)

[67] De messenmakers lieten vroeger op de messen, die als souvenir
moesten dienen, door middel van een of ander zuur allerlei spreuken
bijten.

[68] Een honderdoogig monster door Juno (Hera) aangesteld om de door
haar in een vaars veranderde Io, geliefde van Jupiter (Zeus), te
bewaken.

[69] Zinspeling op dubbelhartigheid.




WERKEN VAN EDWARD B. KOSTER
                                                          Ing.     Geb.

     _Verzamelde Gedichten_ (met portret door H. J.
     H a v e r m a n)                                   f 2.--    f 2.50

     _Niobe_ (derde herziene druk)                      - 0.30    - 0.65

     _Odusseus' Dood_                                   - 0.35    - 0.70

     _Adrastos e.a. Gedichten_ (met portret door
     L a u r e n t  H.  V e r w e y)                    - 1.--    - 1.60

         Uitgaven van G. A. KOTTMANN, den Haag.


     _Studin in Kunst en Kritiek_                      f 1.90    f 2.40
     Uitgave van HOLKEMA & WARENDORF, Amsterdam.


     _Over Navolging en Overeenkomst in de Literatuur_  f 0.75
     Uitgave van MARTINUS NIJHOFF, den Haag.


     _Verhalen uit Shakespeare_, naar het Eng. van
     D r.  T h.  C a r t e r, met 16 ill. in kleur
     van G. D e m a i n  H a m m o n d                  f 2.50    f 2.90
     Uitgave van W. J. THIEME & CIE, Zutphen.


     _Shakespeare-Vertalingen:_ D e  K o o p m a n
     v a n  V e n e t i  (2de herz. dr.) --
     A n t o n i u s  e n  C l e o p a t r a --
     C o r i o l a n u s (2de herz. dr.) --
     M a c b e t h -- O t h e l l o --
     J u l i u s  C a e s a r.
     N a t h a n  d e  W ij z e, naar het Duitsch van
     G.E. Lessing.
     Uitgaven van de MIJ. VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE
     LECTUUR, Amsterdam.


     _Uren met Shakespeare_                             f 1.50    f 1.90
     Uitgave van de HOLLANDIA DRUKKERIJ, Baarn.


     _William Shakespeare_, Gedenkboek 1616-1916
     (derde herz. druk)                                 f 1.50    f 2.--
     Uitgave van G. A. KOTTMANN, den Haag.





End of Project Gutenberg's De Koopman van Veneti, by William Shakespeare

*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE KOOPMAN VAN VENETI ***

***** This file should be named 29359-8.txt or 29359-8.zip *****
This and all associated files of various formats will be found in:
        http://www.gutenberg.org/2/9/3/5/29359/

Produced by Miranda van de Heijning, Jeroen van Luin and
the Online Distributed Proofreading Team at
http://www.pgdp.net


Updated editions will replace the previous one--the old editions
will be renamed.

Creating the works from public domain print editions means that no
one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
(and you!) can copy and distribute it in the United States without
permission and without paying copyright royalties.  Special rules,
set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark.  Project
Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
charge for the eBooks, unless you receive specific permission.  If you
do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
rules is very easy.  You may use this eBook for nearly any purpose
such as creation of derivative works, reports, performances and
research.  They may be modified and printed and given away--you may do
practically ANYTHING with public domain eBooks.  Redistribution is
subject to the trademark license, especially commercial
redistribution.



*** START: FULL LICENSE ***

THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK

To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work
(or any other work associated in any way with the phrase "Project
Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
Gutenberg-tm License (available with this file or online at
http://gutenberg.org/license).


Section 1.  General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
electronic works

1.A.  By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
and accept all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement.  If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.

1.B.  "Project Gutenberg" is a registered trademark.  It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people who
agree to be bound by the terms of this agreement.  There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
even without complying with the full terms of this agreement.  See
paragraph 1.C below.  There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
works.  See paragraph 1.E below.

1.C.  The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
Gutenberg-tm electronic works.  Nearly all the individual works in the
collection are in the public domain in the United States.  If an
individual work is in the public domain in the United States and you are
located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
are removed.  Of course, we hope that you will support the Project
Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
the work.  You can easily comply with the terms of this agreement by
keeping this work in the same format with its attached full Project
Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.

1.D.  The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work.  Copyright laws in most countries are in
a constant state of change.  If you are outside the United States, check
the laws of your country in addition to the terms of this agreement
before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
creating derivative works based on this work or any other Project
Gutenberg-tm work.  The Foundation makes no representations concerning
the copyright status of any work in any country outside the United
States.

1.E.  Unless you have removed all references to Project Gutenberg:

1.E.1.  The following sentence, with active links to, or other immediate
access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
copied or distributed:

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.org

1.E.2.  If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
and distributed to anyone in the United States without paying any fees
or charges.  If you are redistributing or providing access to a work
with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
1.E.9.

1.E.3.  If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
terms imposed by the copyright holder.  Additional terms will be linked
to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
permission of the copyright holder found at the beginning of this work.

1.E.4.  Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.

1.E.5.  Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg-tm License.

1.E.6.  You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
word processing or hypertext form.  However, if you provide access to or
distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
form.  Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
License as specified in paragraph 1.E.1.

1.E.7.  Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.8.  You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
that

- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
     the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
     you already use to calculate your applicable taxes.  The fee is
     owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
     has agreed to donate royalties under this paragraph to the
     Project Gutenberg Literary Archive Foundation.  Royalty payments
     must be paid within 60 days following each date on which you
     prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
     returns.  Royalty payments should be clearly marked as such and
     sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
     address specified in Section 4, "Information about donations to
     the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."

- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
     you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
     does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
     License.  You must require such a user to return or
     destroy all copies of the works possessed in a physical medium
     and discontinue all use of and all access to other copies of
     Project Gutenberg-tm works.

- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
     money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
     electronic work is discovered and reported to you within 90 days
     of receipt of the work.

- You comply with all other terms of this agreement for free
     distribution of Project Gutenberg-tm works.

1.E.9.  If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
electronic work or group of works on different terms than are set
forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark.  Contact the
Foundation as set forth in Section 3 below.

1.F.

1.F.1.  Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
collection.  Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
works, and the medium on which they may be stored, may contain
"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
your equipment.

1.F.2.  LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
liability to you for damages, costs and expenses, including legal
fees.  YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH F3.  YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.

1.F.3.  LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
written explanation to the person you received the work from.  If you
received the work on a physical medium, you must return the medium with
your written explanation.  The person or entity that provided you with
the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
refund.  If you received the work electronically, the person or entity
providing it to you may choose to give you a second opportunity to
receive the work electronically in lieu of a refund.  If the second copy
is also defective, you may demand a refund in writing without further
opportunities to fix the problem.

1.F.4.  Except for the limited right of replacement or refund set forth
in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.

1.F.5.  Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
the applicable state law.  The invalidity or unenforceability of any
provision of this agreement shall not void the remaining provisions.

1.F.6.  INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
with this agreement, and any volunteers associated with the production,
promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
that arise directly or indirectly from any of the following which you do
or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.


Section  2.  Information about the Mission of Project Gutenberg-tm

Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of computers
including obsolete, old, middle-aged and new computers.  It exists
because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
people in all walks of life.

Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
remain freely available for generations to come.  In 2001, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.


Section 3.  Information about the Project Gutenberg Literary Archive
Foundation

The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
Revenue Service.  The Foundation's EIN or federal tax identification
number is 64-6221541.  Its 501(c)(3) letter is posted at
http://pglaf.org/fundraising.  Contributions to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
permitted by U.S. federal laws and your state's laws.

The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
throughout numerous locations.  Its business office is located at
809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
business@pglaf.org.  Email contact links and up to date contact
information can be found at the Foundation's web site and official
page at http://pglaf.org

For additional contact information:
     Dr. Gregory B. Newby
     Chief Executive and Director
     gbnewby@pglaf.org


Section 4.  Information about Donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation

Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
spread public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment.  Many small donations
($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
status with the IRS.

The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United
States.  Compliance requirements are not uniform and it takes a
considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
with these requirements.  We do not solicit donations in locations
where we have not received written confirmation of compliance.  To
SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
particular state visit http://pglaf.org

While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.

International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States.  U.S. laws alone swamp our small staff.

Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
methods and addresses.  Donations are accepted in a number of other
ways including checks, online payments and credit card donations.
To donate, please visit: http://pglaf.org/donate


Section 5.  General Information About Project Gutenberg-tm electronic
works.

Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
concept of a library of electronic works that could be freely shared
with anyone.  For thirty years, he produced and distributed Project
Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.


Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
unless a copyright notice is included.  Thus, we do not necessarily
keep eBooks in compliance with any particular paper edition.


Most people start at our Web site which has the main PG search facility:

     http://www.gutenberg.org

This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
